
Voor de beantwoording van de vraag of een buitenlandse samenwerkingsvorm voor de toepassing van het Nederlandse belastingrecht als transparant moet worden aangemerkt, is onder meer van belang het antwoord op de vraag of de vennoten of leden van die samenwerkingsvorm beperkt aansprakelijk zijn tot het bedrag van hun inleg.
Hof Arnhem hanteerde bij de beoordeling van deze vraag als uitgangspunt dat beslissend is in hoeverre de leden volgens het van toepassing zijnde vennootschapsrecht aansprakelijk zijn voor de schulden van het samenwerkingsverband. In dit geval ging het om een limited liability company naar het recht van de staat Ohio. Het hof stelde vast dat volgens het vennootschapsrecht van Ohio de leden slechts aansprakelijk zijn tot het bedrag van hun inleg. Op grond daarvan was geen sprake van een fiscaal transparante vennootschap. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het hof afgewezen.