
Gemeentelijke heffingen kennen een wettelijke beperking die inhoudt dat de geraamde opbrengst niet hoger mag zijn dan de lasten die met de heffing worden bestreden. De Hoge Raad heeft onlangs in een arrest uiteengezet hoe de rechter moet omgaan met een beroep op overschrijding van deze limiet. De gemeentelijke heffingsambtenaar is degene die over de noodzakelijke gegevens beschikt voor de beoordeling van dat geschilpunt. Als de heffingsambtenaar de limietoverschrijding betwist, gelden voor de onderbouwing van dat standpunt zwaardere eisen dan gebruikelijk is in een procedure. De heffingsambtenaar moet zijn wederpartij en de rechter inzicht verschaffen in de geraamde baten en de geraamde lasten van de heffing. Als de wederpartij in twijfel trekt of een bepaalde post wel mag worden meegenomen bij de lasten moet de heffingsambtenaar met nadere informatie komen om deze twijfel weg te nemen. Het is dan aan de rechter om te beoordelen of de desbetreffende post kan worden aangemerkt als een "last ter zake". Is dat niet het geval, dan moet de rechter beoordelen of de opbrengstlimiet is overschreden.
Stelt de wederpartij dat de door de heffingsambtenaar verstrekte gegevens onjuist zijn, dan moet hij, als de heffingsambtenaar zijn stelling betwist, het bewijs van de onjuistheid van deze gegevens leveren. De bewijslast voor de onjuistheid ligt bij de belanghebbende, omdat die onjuistheid een voorwaarde is voor de onverbindendheid van de belastingverordening. Na bewijslevering is het aan de rechter om te beoordelen of de opbrengstlimiet is overschreden.