
In een testament werden vijf stichtingen, ieder voor gelijke delen, benoemd tot erfgenaam. Aan de nalatenschap was een last verbonden om aan een nicht van de erflaatster levenslang een lijfrente uit te keren van € 36.000 per jaar. Om de rechten van de nicht op de lijfrente veilig te stellen, plaatste de erflaatster de nalatenschap onder bewind. De erfgenamen hadden hierdoor niet de vrije beschikking over de nalatenschap.
Na het overlijden van de erflaatster gingen de uitkeringen uit de lijfrente in. De inspecteur meende dat de lijfrentetermijnen belast waren in box 1. Bepalend daarvoor is of
(1) de lijfrentetermijnen in rechte vorderbaar zijn, en
(2) zij niet de tegenwaarde voor een prestatie vormen.
Hof Leeuwarden was van oordeel dat de uitkeringen in rechte vorderbaar waren. Volgens het testament waren de bewindvoerders verplicht om maandelijkse uitkeringen uit de lijfrente te doen aan de nicht. Volgens het hof hield die omschrijving in dat de nicht een vorderingsrecht had.
Of een periodieke uitkering de tegenwaarde voor een prestatie vormt, moet worden beoordeeld vanuit de positie van de schuldenaar van de periodieke uitkering. De gezamenlijke erfgenamen golden als de schuldenaar van de lijfrente. De tegenprestatie voor de lijfrente bestond uit de erfenis. De inspecteur betoogde dat de contante waarde van de uitkeringen veel lager was dan de waarde van de erfenis.
Omdat aan de tweede voorwaarde niet was voldaan waren de lijfrente-uitkeringen niet belast in box 1.