Lichtvaardig handelen van inspecteur leidt tot hoge kostenvergoeding

Met ingang van 1 januari 1997 is het aanmerkelijk belangregime in de wet op de inkomstenbelasting ingrijpend veranderd. Die wijzigingen hebben ook invloed op bestaande situaties, voor een deel zelfs terugwerkend naar 4 juni 1996. In een procedure voor Hof Amsterdam kwam zo’n bijzondere situatie aan de orde. In 1993 kocht een DGA een belang van 60% in een BV voor een bedrag van ƒ 268.000. De nominale waarde van de aandelen bedroeg ƒ 11.400.000. In 1995 werd besloten tot een kapitaalsvermindering, waarbij de nominale waarde van een aandeel werd teruggebracht van ƒ 430 tot ƒ 1. Onder het oude aanmerkelijk belangregime kon een kapitaalsvermindering onbelast plaatsvinden. Omdat de BV onvoldoende liquide middelen had om de kapitaalsvermindering uit te betalen aan de aandeelhouders ontstond een rentedragende schuld bij de BV. In 1996, 1997 en 1998 vond gedeeltelijke aflossing van de schuld plaats. Door de wetswijziging zijn vorderingen op de BV tot het aanmerkelijk belang gaan behoren en zijn de aflossingen op de schuld belast geworden. Omdat de aandelen voor minder dan 70% van de nominale waarde daarvan waren gekocht werkte de wetswijziging terug tot 4 juni 1996 en waren de aflossingen, die vanaf die datum hadden plaatsgevonden belast. Over 1996 had de vorige adviseur van de DGA een compromis met de belastingdienst gesloten. In de aangifte 1998 was de aflossing niet als inkomen aangegeven, maar was wel een uitvoerige toelichting gegeven. De inspecteur corrigeerde de aangifte en belastte de aflossing tegen het bijzondere tarief van 25%. Daarnaast legde hij een boete op wegens het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte. Die boete bedroeg ƒ 91.500. In geschil is of de aflossing terecht belast is en of de boete terecht is opgelegd. Volgens het Hof zijn de wettelijke bepalingen duidelijk en is de aflossing terecht belast, zij het dat rekening gehouden moet worden met een evenredig deel van de verkrijgingsprijs van de vordering. Over de hoogte daarvan waren partijen het eens. Ten aanzien van de boete is het Hof van oordeel, dat niet gezegd kan worden dat de DGA opzettelijk een onjuiste aangifte heeft gedaan door het innemen van het voor hem meest voordelige standpunt. Op grond van de in de toelichting opgenomen gegevens kon de inspecteur de juiste aanslag opleggen. Gezien de opvattingen in de fiscale literatuur en onder verwijzing naar jurisprudentie is het Hof van mening, dat de DGA een pleitbaar standpunt innam in zijn aangifte. Als in de aangifte een pleitbaar standpunt wordt ingenomen kan geen boete worden opgelegd. Het hof vernietigde het boetebesluit. Ten aanzien van de proceskostenvergoeding merkt het Hof op, dat de inspecteur onzorgvuldig en lichtvaardig heeft gehandeld bij het opleggen van de boete en het niet naar aanleiding van de publicatie van een uitspraak van Hof Den Haag over een vergelijkbare casus kwijtschelden daarvan. Dat leidt tot een veroordeling van de inspecteur in de kosten, voor wat betreft het beroep volgens de forfaitaire regels en voor wat betreft het bezwaar tot een bedrag van € 10.000, verdeeld over een tweetal procedures.
Met ingang van 1 januari 1997 is het aanmerkelijk belangregime in de wet op de inkomstenbelasting ingrijpend veranderd. Die wijzigingen hebben ook invloed op bestaande situaties, voor een deel zelfs terugwerkend naar 4 juni 1996. In een procedure voor Hof Amsterdam kwam zo’n bijzondere situatie aan de orde. In 1993 kocht een DGA een belang van 60% in een BV voor een bedrag van ƒ 268.000. De nominale waarde van de aandelen bedroeg ƒ 11.400.000. In 1995 werd besloten tot een kapitaalsvermindering, waarbij de nominale waarde van een aandeel werd teruggebracht van ƒ 430 tot ƒ 1. Onder het oude aanmerkelijk belangregime kon een kapitaalsvermindering onbelast plaatsvinden. Omdat de BV onvoldoende liquide middelen had om de kapitaalsvermindering uit te betalen aan de aandeelhouders ontstond een rentedragende schuld bij de BV. In 1996, 1997 en 1998 vond gedeeltelijke aflossing van de schuld plaats. Door de wetswijziging zijn vorderingen op de BV tot het aanmerkelijk belang gaan behoren en zijn de aflossingen op de schuld belast geworden. Omdat de aandelen voor minder dan 70% van de nominale waarde daarvan waren gekocht werkte de wetswijziging terug tot 4 juni 1996 en waren de aflossingen, die vanaf die datum hadden plaatsgevonden belast. Over 1996 had de vorige adviseur van de DGA een compromis met de belastingdienst gesloten. In de aangifte 1998 was de aflossing niet als inkomen aangegeven, maar was wel een uitvoerige toelichting gegeven. De inspecteur corrigeerde de aangifte en belastte de aflossing tegen het bijzondere tarief van 25%. Daarnaast legde hij een boete op wegens het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte. Die boete bedroeg ƒ 91.500. In geschil is of de aflossing terecht belast is en of de boete terecht is opgelegd. Volgens het Hof zijn de wettelijke bepalingen duidelijk en is de aflossing terecht belast, zij het dat rekening gehouden moet worden met een evenredig deel van de verkrijgingsprijs van de vordering. Over de hoogte daarvan waren partijen het eens. Ten aanzien van de boete is het Hof van oordeel, dat niet gezegd kan worden dat de DGA opzettelijk een onjuiste aangifte heeft gedaan door het innemen van het voor hem meest voordelige standpunt. Op grond van de in de toelichting opgenomen gegevens kon de inspecteur de juiste aanslag opleggen. Gezien de opvattingen in de fiscale literatuur en onder verwijzing naar jurisprudentie is het Hof van mening, dat de DGA een pleitbaar standpunt innam in zijn aangifte. Als in de aangifte een pleitbaar standpunt wordt ingenomen kan geen boete worden opgelegd. Het hof vernietigde het boetebesluit. Ten aanzien van de proceskostenvergoeding merkt het Hof op, dat de inspecteur onzorgvuldig en lichtvaardig heeft gehandeld bij het opleggen van de boete en het niet naar aanleiding van de publicatie van een uitspraak van Hof Den Haag over een vergelijkbare casus kwijtschelden daarvan. Dat leidt tot een veroordeling van de inspecteur in de kosten, voor wat betreft het beroep volgens de forfaitaire regels en voor wat betreft het bezwaar tot een bedrag van € 10.000, verdeeld over een tweetal procedures.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u