Levensverzekering met erflater valt niet onder successierecht

Bij het overlijden van iemand worden zijn erfgenamen geconfronteerd met belastingheffing over hun aandeel in de nalatenschap. Deze belasting, het successierecht, kent fictiebepalingen die ervoor moeten zorgen dat het vermogen van de erflater zoveel mogelijk in de belastingheffing wordt betrokken. Een van deze ficties merkt de schuldigerkenning onder voorwaarde van overleven aan als een onderdeel van de nalatenschap. Een andere fictie betreft de uitkering uit een levensverzekering die is gesloten op het leven van de overledene en is betaald door de overledene. Uiteraard wordt steeds naar wegen gezocht om toepassing van de fictiebepalingen en dus belastingheffing te vermijden. Een aardige poging daartoe bestond uit een levensverzekering die iemand had gesloten met haar echtgenoot als verzekeraar en verzekerde. De verzekering was dus niet bij een professionele verzekeringsmaatschappij afgesloten. Bij overlijden van haar echtgenoot voor een zekere datum had de vrouw recht op een uitkering van ƒ 2.000.000. De man had bij leven bedragen aan zijn vrouw geschonken waarmee zij de premies kon betalen. De belastingdienst betrok de uitkering in de heffing van het successierecht, maar Hof Den Bosch oordeelde anders en verminderde de aanslag successierecht. Hof Den Bosch was van oordeel dat partijen wel een overeenkomst van levensverzekering hadden gesloten, maar dat de uitkering niet belast was omdat er voor de bedoelde verkrijging niets aan het vermogen van erflater was onttrokken. De Hoge Raad deelt de opvatting van het Hof dat een levensverzekering tot stand was gekomen. De voor levensverzekeringen in de wet opgenomen fictiebepaling is de enige mogelijkheid om te beoordelen of er in dit geval een fictieve erfrechtelijke verkrijging is. Bepalend daarvoor is of er al dan niet iets aan het vermogen van de erflater is onttrokken. Op grond van het zogenaamde premieschenkingsarrest van de Hoge Raad uit 1954 heeft de schenking van premies niet tot gevolg dat op de uitkering de fictiebepaling van toepassing is, omdat de premieschenkingen al afzonderlijk belast zijn. De vraag is dus of door de uitkering, die ten laste van de nalatenschap komt, 'iets' aan het vermogen van de erflater is onttrokken. De Hoge Raad oordeelde dat dit niet het geval was. De overeengekomen premie was zakelijk, aangezien deze niet sterk afweek van de premie die een levensverzekeringsmaatschappij zou hebben berekend. Afgezien van de in de premie verwerkte kosten- en winstcomponenten is de contante waarde van de uitkering dan gelijk aan de contante waarde van de premie. Dat in dit geval het nominale bedrag van de uitkering het 25-voud was van de betaalde premies lag aan het feit dat de verzekering liep van het 48e tot en met het 57e levensjaar van de erflater en dat de kans dat een man van 47 jaar de leeftijd van 57 niet zal halen zeer klein is. Ondanks deze kleine kans overleed de verzekerde toen hij 50 jaar oud was. De Hoge Raad verwierp ook het beroep op wetsontduiking. Het Hof had vastgesteld dat belastingbesparing niet de doorslaggevende reden was voor het aangaan van deze overeenkomst.
Bij het overlijden van iemand worden zijn erfgenamen geconfronteerd met belastingheffing over hun aandeel in de nalatenschap. Deze belasting, het successierecht, kent fictiebepalingen die ervoor moeten zorgen dat het vermogen van de erflater zoveel mogelijk in de belastingheffing wordt betrokken. Een van deze ficties merkt de schuldigerkenning onder voorwaarde van overleven aan als een onderdeel van de nalatenschap. Een andere fictie betreft de uitkering uit een levensverzekering die is gesloten op het leven van de overledene en is betaald door de overledene. Uiteraard wordt steeds naar wegen gezocht om toepassing van de fictiebepalingen en dus belastingheffing te vermijden. Een aardige poging daartoe bestond uit een levensverzekering die iemand had gesloten met haar echtgenoot als verzekeraar en verzekerde. De verzekering was dus niet bij een professionele verzekeringsmaatschappij afgesloten. Bij overlijden van haar echtgenoot voor een zekere datum had de vrouw recht op een uitkering van ƒ 2.000.000. De man had bij leven bedragen aan zijn vrouw geschonken waarmee zij de premies kon betalen. De belastingdienst betrok de uitkering in de heffing van het successierecht, maar Hof Den Bosch oordeelde anders en verminderde de aanslag successierecht. Hof Den Bosch was van oordeel dat partijen wel een overeenkomst van levensverzekering hadden gesloten, maar dat de uitkering niet belast was omdat er voor de bedoelde verkrijging niets aan het vermogen van erflater was onttrokken. De Hoge Raad deelt de opvatting van het Hof dat een levensverzekering tot stand was gekomen. De voor levensverzekeringen in de wet opgenomen fictiebepaling is de enige mogelijkheid om te beoordelen of er in dit geval een fictieve erfrechtelijke verkrijging is. Bepalend daarvoor is of er al dan niet iets aan het vermogen van de erflater is onttrokken. Op grond van het zogenaamde premieschenkingsarrest van de Hoge Raad uit 1954 heeft de schenking van premies niet tot gevolg dat op de uitkering de fictiebepaling van toepassing is, omdat de premieschenkingen al afzonderlijk belast zijn. De vraag is dus of door de uitkering, die ten laste van de nalatenschap komt, 'iets' aan het vermogen van de erflater is onttrokken. De Hoge Raad oordeelde dat dit niet het geval was. De overeengekomen premie was zakelijk, aangezien deze niet sterk afweek van de premie die een levensverzekeringsmaatschappij zou hebben berekend. Afgezien van de in de premie verwerkte kosten- en winstcomponenten is de contante waarde van de uitkering dan gelijk aan de contante waarde van de premie. Dat in dit geval het nominale bedrag van de uitkering het 25-voud was van de betaalde premies lag aan het feit dat de verzekering liep van het 48e tot en met het 57e levensjaar van de erflater en dat de kans dat een man van 47 jaar de leeftijd van 57 niet zal halen zeer klein is. Ondanks deze kleine kans overleed de verzekerde toen hij 50 jaar oud was.
De Hoge Raad verwierp ook het beroep op wetsontduiking. Het Hof had vastgesteld dat belastingbesparing niet de doorslaggevende reden was voor het aangaan van deze overeenkomst.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u