Lening partner aan NV valt in box 3
Een lening die de houder van een aanmerkelijk belang in een BV verstrekt aan deze BV valt, anders dan normale beleggingen, niet in box 3 maar in box 1 vanwege de zogenaamde terbeschikkingstellingsregeling.
De belastingdienst meende dat dit ook gold voor een lening die een aanmerkelijk belanghouder verstrekte aan een NV waarin hij als partner via zijn praktijk-BV een bescheiden belang had. De partner werkte via zijn BV voor de NV. Onderdeel van zijn toetreding als partner was de verplichting om aan de NV een achtergestelde lening te verstrekken. Hiervoor had hij bij een bank € 205.500 geleend. Dat bedrag leende de partner uit aan de eerdergenoemde NV. De NV betaalde een hogere rente dan de rente die de partner aan de bank moest betalen.
De zakelijkheid van het bedrag van de lening was niet in geschil, evenmin als de zakelijkheid van de voorwaarden waaronder de lening was verstrekt. De rente was geen winstuitdeling voor de vennootschapsbelasting.
Voor de kwalificatie van een inkomensbestanddeel kent de Wet IB 2001 een rangorderegeling. De rechtbank onderzocht achtereenvolgens of de lening winst uit onderneming of resultaat uit een werkzaamheid opleverde. Door afwezigheid van de factor arbeid was het verstrekken en aanhouden van de lening geen onderneming. De belastingdienst wilde de arbeid die de partner verrichtte voor de NV betrekken in de beoordeling of de rente op de lening tot de winst uit onderneming behoorde. De belastingdienst wilde wel de rente op de achtergestelde lening als winst uit onderneming belasten maar niet het aandeel in de winst van de NV. De rechtbank volgde deze opvatting niet. Vanwege de zakelijkheid van de lening was geen sprake van medegerechtigheid tot het vermogen van een onderneming. De rente op de achtergestelde lening vormde geen winst uit onderneming.
Voor een werkzaamheid is nodig dat meer arbeid wordt verricht dan bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is. Ook dat deed zich niet voor.
De rechtbank deelde de opvatting van de inspecteur dat de lening via de BV aan de NV was verstrekt niet, maar was van oordeel dat zowel de achtergestelde lening als de financiering ervan in box 3 vielen.
Een lening die de houder van een aanmerkelijk belang in een BV verstrekt aan deze BV valt, anders dan normale beleggingen, niet in box 3 maar in box 1 vanwege de zogenaamde terbeschikkingstellingsregeling.
De belastingdienst meende dat dit ook gold voor een lening die een aanmerkelijk belanghouder verstrekte aan een NV waarin hij als partner via zijn praktijk-BV een bescheiden belang had. De partner werkte via zijn BV voor de NV. Onderdeel van zijn toetreding als partner was de verplichting om aan de NV een achtergestelde lening te verstrekken. Hiervoor had hij bij een bank € 205.500 geleend. Dat bedrag leende de partner uit aan de eerdergenoemde NV. De NV betaalde een hogere rente dan de rente die de partner aan de bank moest betalen.
De zakelijkheid van het bedrag van de lening was niet in geschil, evenmin als de zakelijkheid van de voorwaarden waaronder de lening was verstrekt. De rente was geen winstuitdeling voor de vennootschapsbelasting.
Voor de kwalificatie van een inkomensbestanddeel kent de Wet IB 2001 een rangorderegeling. De rechtbank onderzocht achtereenvolgens of de lening winst uit onderneming of resultaat uit een werkzaamheid opleverde. Door afwezigheid van de factor arbeid was het verstrekken en aanhouden van de lening geen onderneming. De belastingdienst wilde de arbeid die de partner verrichtte voor de NV betrekken in de beoordeling of de rente op de lening tot de winst uit onderneming behoorde. De belastingdienst wilde wel de rente op de achtergestelde lening als winst uit onderneming belasten maar niet het aandeel in de winst van de NV. De rechtbank volgde deze opvatting niet. Vanwege de zakelijkheid van de lening was geen sprake van medegerechtigheid tot het vermogen van een onderneming. De rente op de achtergestelde lening vormde geen winst uit onderneming.
Voor een werkzaamheid is nodig dat meer arbeid wordt verricht dan bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is. Ook dat deed zich niet voor.
De rechtbank deelde de opvatting van de inspecteur dat de lening via de BV aan de NV was verstrekt niet, maar was van oordeel dat zowel de achtergestelde lening als de financiering ervan in box 3 vielen.