Lening ondanks ongebruikelijk lange looptijd toch reëel
Een BV leende in het jaar 2000 een bedrag van ƒ 10.000 van een andere BV. Aflossing van de lening en betaling van de bij het bedrag van de lening geboekte rente hoefde pas op 31 december van het jaar 2210 plaats te vinden. De -in 2210 te betalen- rente bedroeg voor het eerste jaar ƒ 80.000 en werd ieder jaar met ƒ 1.000 verhoogd. De schuldenaar verwerkte in de aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2000 een bedrag van ƒ 80.000 als rente van schulden. De verstrekker van de lening verwerkte ƒ 400 als opbrengst van de lening in de aangifte vennootschapsbelasting. Berekend over de gehele looptijd van de lening bedroeg de werkelijke rente iets meer dan 4 %. Omdat het totale bedrag van de geaccumuleerde rente pas in 2210 zal worden betaald en opeisbaar zal zijn was de in de overeenkomst per jaar bepaalde rente niet van betekenis voor de beoordeling van de werkelijke rente. Door de lange duur van de overeenkomst liep de geldverstrekker een aanzienlijk risico. Hof Amsterdam vond daarom aannemelijk dat de totale over de looptijd van de lening bedongen rente ongebruikelijk laag was. Desondanks was er sprake van een lening. Op grond van goed koopmansgebruik moest de schuld op de contante waarde worden gewaardeerd. Uitgaande van een marktrente ten tijde van het sluiten van de overeenkomst van 4,2 % bedroeg de contante waarde van de in 2210 terug te betalen hoofdsom van ƒ 2 en van de voor het eerste jaar bedongen rente van ƒ 14. Uitgaande van de door de schuldenaar veronderstelde marktrente van 4,016% kwamen deze bedragen bij benadering uit op respectievelijk ƒ 3 en ƒ 21. De aanslag ging uit van een waardering van de hoofdsom op de nominale waarde en van de renteverplichting voor het eerste jaar van nihil. De contante waarde van hoofdsom en renteverplichting tezamen bedroeg niet meer dan ƒ 25. Daarom was de aanslag niet te hoog vastgesteld.
Een BV leende in het jaar 2000 een bedrag van ƒ 10.000 van een andere BV. Aflossing van de lening en betaling van de bij het bedrag van de lening geboekte rente hoefde pas op 31 december van het jaar 2210 plaats te vinden. De -in 2210 te betalen- rente bedroeg voor het eerste jaar ƒ 80.000 en werd ieder jaar met ƒ 1.000 verhoogd. De schuldenaar verwerkte in de aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2000 een bedrag van ƒ 80.000 als rente van schulden. De verstrekker van de lening verwerkte ƒ 400 als opbrengst van de lening in de aangifte vennootschapsbelasting. Berekend over de gehele looptijd van de lening bedroeg de werkelijke rente iets meer dan 4 %. Omdat het totale bedrag van de geaccumuleerde rente pas in 2210 zal worden betaald en opeisbaar zal zijn was de in de overeenkomst per jaar bepaalde rente niet van betekenis voor de beoordeling van de werkelijke rente. Door de lange duur van de overeenkomst liep de geldverstrekker een aanzienlijk risico. Hof Amsterdam vond daarom aannemelijk dat de totale over de looptijd van de lening bedongen rente ongebruikelijk laag was. Desondanks was er sprake van een lening. Op grond van goed koopmansgebruik moest de schuld op de contante waarde worden gewaardeerd. Uitgaande van een marktrente ten tijde van het sluiten van de overeenkomst van 4,2 % bedroeg de contante waarde van de in 2210 terug te betalen hoofdsom van ƒ 2 en van de voor het eerste jaar bedongen rente van ƒ 14. Uitgaande van de door de schuldenaar veronderstelde marktrente van 4,016% kwamen deze bedragen bij benadering uit op respectievelijk ƒ 3 en ƒ 21. De aanslag ging uit van een waardering van de hoofdsom op de nominale waarde en van de renteverplichting voor het eerste jaar van nihil. De contante waarde van hoofdsom en renteverplichting tezamen bedroeg niet meer dan ƒ 25. Daarom was de aanslag niet te hoog vastgesteld.