
De uitgaven die iemand doet voor het levensonderhoud van zijn kinderen zijn onder voorwaarden aftrekbaar. Het moet gaan om kinderen die jonger zijn dan 30 jaar en die ten minste in belangrijke mate door de ouder worden onderhouden. Uitgaven die betrekking hebben op ziekte, invaliditeit en bevalling van het kind zijn geen uitgaven voor het levensonderhoud. Als het kind recht heeft op een studiebeurs of een daarmee vergelijkbare regeling komen uitgaven die de ouder doet niet voor aftrek in aanmerking. Voor de vraag of er een aftrekbare bijdrage in het levensonderhoud is, moet gekeken worden naar de inkomens- en vermogenspositie van het kind en naar zijn uitgaven. In een arrest uit 2006 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat voor het bepalen van de aftrekbaarheid van de bijdragen van een ouder geen rekening hoeft te worden gehouden met de mogelijkheid voor een student om te lenen bij DUO.
Dat is anders wanneer de student daadwerkelijk heeft geleend bij DUO, zo blijkt uit een recent arrest van de Hoge Raad. De student leende een bedrag van € 250 per maand waarover hij vrij kon beschikken. Hij gebruikte de geleende bedragen ter dekking van zijn kosten van levensonderhoud. Dat verhinderde de aftrek van de bijdrage die zijn vader deed in de kosten van levensonderhoud van de student. Uitgaande van het uitgavenpatroon van de student bleef na aftrek van zijn eigen inkomsten en het bedrag van de lening een tekort van € 122 per maand over. Dat tekort werd gedekt door de bijdragen van vader. Per kwartaal was de bijdrage minder dan het voor 2004 geldende normbedrag van € 386.