Leden leefgemeenschap in dienstbetrekking bij stichting
Een stichting maakte afspraken met een leefgemeenschap over de verzorging van cursussen en trainingen door de leden van de leefgemeenschap ten behoeve van de stichting. De stichting verstrekte aan de leden van de leefgemeenschap kost en inwoning en betaalde aan de leefgemeenschap jaarlijks een bedrag van ƒ 100.000 en een bedrag voor de oudedagsvoorziening van de leden. De leden van de leefgemeenschap maakten gebruik van auto’s van de stichting. Volgens Hof Amsterdam waren die omstandigheden voldoende om te constateren dat er dienstbetrekkingen waren tussen de stichting en de leden van de leefgemeenschap. In cassatie voerde de stichting aan dat er geen privaatrechtelijke dienstbetrekkingen konden bestaan omdat zij met de leefgemeenschap als geheel en niet met de individuele leden daarvan afspraken had gemaakt over het verrichten van werkzaamheden. De Hoge Raad wees dat betoog af. Het Hof had op basis van de feiten vastgesteld dat ieder van de leden zich had verplicht om werkzaamheden voor de stichting te verrichten waartegenover de stichting de verplichting had om de beloning te betalen. Dat betekende dat sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen de stichting en ieder van de leden van de leefgemeenschap.
Een stichting maakte afspraken met een leefgemeenschap over de verzorging van cursussen en trainingen door de leden van de leefgemeenschap ten behoeve van de stichting. De stichting verstrekte aan de leden van de leefgemeenschap kost en inwoning en betaalde aan de leefgemeenschap jaarlijks een bedrag van ƒ 100.000 en een bedrag voor de oudedagsvoorziening van de leden. De leden van de leefgemeenschap maakten gebruik van auto’s van de stichting. Volgens Hof Amsterdam waren die omstandigheden voldoende om te constateren dat er dienstbetrekkingen waren tussen de stichting en de leden van de leefgemeenschap. In cassatie voerde de stichting aan dat er geen privaatrechtelijke dienstbetrekkingen konden bestaan omdat zij met de leefgemeenschap als geheel en niet met de individuele leden daarvan afspraken had gemaakt over het verrichten van werkzaamheden. De Hoge Raad wees dat betoog af. Het Hof had op basis van de feiten vastgesteld dat ieder van de leden zich had verplicht om werkzaamheden voor de stichting te verrichten waartegenover de stichting de verplichting had om de beloning te betalen. Dat betekende dat sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen de stichting en ieder van de leden van de leefgemeenschap.