Landbouwvrijstelling niet van toepassing wegens aanwending grond voor woningbouw
In 1997 deelde het college van burgemeester en wethouders van een gemeente aan een landbouwer mee dat de gemeente van plan was om binnen afzienbare termijn de grond van de landbouwer aan te kopen om daar woningen te laten bouwen. In 1999 deed een projectontwikkelaar een bod van ƒ 1.700.000 op de landbouwgrond. In april 2000 verhoogde hij het bod tot ƒ 1.775.000. In verband met de toen nog geldende landbouwvrijstelling was onderdeel van de nog op te maken koopovereenkomst een clausule dat de grond nog 73 maanden na de overdracht binnen de landbouw zou worden gebruikt. Op die manier zou de waardestijging van de grond onbelast zijn. Met terugwerkende kracht tot 27 juni 2000 is de landbouwvrijstelling echter aanzienlijk beperkt. De schriftelijke koopovereenkomst werd op 29 september 2000 ondertekend. De vraag was of de behaalde winst bij verkoop van de grond onder de landbouwvrijstelling viel. Bij toepassing van de nieuwe regeling zou dat niet het geval zijn. De rechtbank Haarlem stelde vast dat het moment waarop partijen overeenstemming bereikten over de verkoop was gelegen voor 27 juni 2000. Partijen waren het op 5 juni 2000 eens over de prijs, over het moment van levering en betaling, over een clausule dat koper mogelijk belastingnadeel aan verkoper zou vergoeden en over het lot van de opstallen. De brief van 5 juni 2000 namens de verkoper mocht de koper opvatten als aanvaarding van zijn aanbod. Volgens de oude regeling was de landbouwvrijstelling niet van toepassing wanneer de grond op korte termijn buiten het landbouwbedrijf zou worden gebruikt. Die uitsluiting gold ook in situaties waarbij een redelijke kans bestond op het moment van vervreemding dat de grond binnenkort een andere bestemming zou krijgen. De term binnenkort betekende volgens de jurisprudentie binnen zes jaren na de verkoop. Op het moment van verkoop bereidde de gemeente een wijziging van het bestemmingsplan voor. Uit mededelingen van de gemeente en publicaties in de lokale pers leidde de rechtbank af dat de bouwactiviteiten in de periode 2002-2005 zouden aanvangen. Het door de verkoper bedongen recht op voortgezet gebruik van de landbouwgrond tot uiterlijk 1 januari 2007 was slechts een persoonlijk gebruiksrecht dat op ieder moment kon worden beëindigd. De rechtbank vond aannemelijk dat op het moment van de verkoop een redelijke kans bestond dat de landbouwgrond binnen zes jaar anders dan agrarisch gebruikt zou worden. De landbouwvrijstelling was niet van toepassing.
In 1997 deelde het college van burgemeester en wethouders van een gemeente aan een landbouwer mee dat de gemeente van plan was om binnen afzienbare termijn de grond van de landbouwer aan te kopen om daar woningen te laten bouwen. In 1999 deed een projectontwikkelaar een bod van ƒ 1.700.000 op de landbouwgrond. In april 2000 verhoogde hij het bod tot ƒ 1.775.000. In verband met de toen nog geldende landbouwvrijstelling was onderdeel van de nog op te maken koopovereenkomst een clausule dat de grond nog 73 maanden na de overdracht binnen de landbouw zou worden gebruikt. Op die manier zou de waardestijging van de grond onbelast zijn. Met terugwerkende kracht tot 27 juni 2000 is de landbouwvrijstelling echter aanzienlijk beperkt. De schriftelijke koopovereenkomst werd op 29 september 2000 ondertekend. De vraag was of de behaalde winst bij verkoop van de grond onder de landbouwvrijstelling viel. Bij toepassing van de nieuwe regeling zou dat niet het geval zijn. De rechtbank Haarlem stelde vast dat het moment waarop partijen overeenstemming bereikten over de verkoop was gelegen voor 27 juni 2000. Partijen waren het op 5 juni 2000 eens over de prijs, over het moment van levering en betaling, over een clausule dat koper mogelijk belastingnadeel aan verkoper zou vergoeden en over het lot van de opstallen. De brief van 5 juni 2000 namens de verkoper mocht de koper opvatten als aanvaarding van zijn aanbod. Volgens de oude regeling was de landbouwvrijstelling niet van toepassing wanneer de grond op korte termijn buiten het landbouwbedrijf zou worden gebruikt. Die uitsluiting gold ook in situaties waarbij een redelijke kans bestond op het moment van vervreemding dat de grond binnenkort een andere bestemming zou krijgen. De term binnenkort betekende volgens de jurisprudentie binnen zes jaren na de verkoop. Op het moment van verkoop bereidde de gemeente een wijziging van het bestemmingsplan voor. Uit mededelingen van de gemeente en publicaties in de lokale pers leidde de rechtbank af dat de bouwactiviteiten in de periode 2002-2005 zouden aanvangen. Het door de verkoper bedongen recht op voortgezet gebruik van de landbouwgrond tot uiterlijk 1 januari 2007 was slechts een persoonlijk gebruiksrecht dat op ieder moment kon worden beëindigd. De rechtbank vond aannemelijk dat op het moment van de verkoop een redelijke kans bestond dat de landbouwgrond binnen zes jaar anders dan agrarisch gebruikt zou worden. De landbouwvrijstelling was niet van toepassing.