
De Wet IB 2001 kent een bijzondere regeling voor beleggingen in durfkapitaal. Daaronder vallen onder meer leningen aan startende ondernemers. Wanneer de lening aan bepaalde voorwaarden voldoet, komt een eventueel verlies op de lening in aftrek op het inkomen in box 1. Daarvoor is een beschikking van de inspecteur nodig waarin staat dat het kwijtgescholden gedeelte van de geldlening niet meer voor verwezenlijking vatbaar is. De inspecteur neemt een dergelijke beschikking op verzoek en niet eerder dan twaalf maanden na het verstrekken van de geldlening.
Een echtpaar verstrekte een lening aan hun dochter onder de bijzondere regeling voor leningen aan startende ondernemers. Toen bleek dat de onderneming niet levensvatbaar was, schold moeder de lening aan de dochter kwijt. Vader was inmiddels overleden. De dochter had een vordering op moeder omdat moeder bij de verdeling van de nalatenschap was overbedeeld. De vordering uit overbedeling op moeder was groter dan de schuld aan moeder. Dat had tot gevolg dat de lening voor verwezenlijking vatbaar was en de kwijtschelding daarvan niet ten laste van moeders inkomen in box 1 kwam.
Volgens de rechtbank is het in zakelijke verhoudingen niet goed denkbaar dat een crediteur die een vordering op een debiteur kwijtscheldt geen rekening houdt met diens schuldpositie ten opzichte van de crediteur. De omstandigheid dat de schuld aan de dochter onder opschortende voorwaarde verschuldigd was en de vordering direct opeisbaar was, maakte dit niet anders naar het oordeel van de rechtbank. Moeder had de vordering die zij had kunnen verrekenen met de schuld aan haar dochter.