
De vraag of bepaalde activiteiten in fiscale zin als een onderneming kunnen worden aangemerkt dient te worden beantwoord aan de hand van verschillende factoren. De omvang van de activiteiten waarmee omzet wordt behaald is een van deze factoren. In de aanloopfase zal er vaak een absoluut en relatief groot aantal indirecte uren gemaakt worden en zal er met relatief weinig directe uren een zo lage omzet worden gemaakt dat de activiteiten niet direct als het drijven van een onderneming kunnen worden aangemerkt. Toch kan ook bij een lage omzet in de aanloopfase door andere factoren, zoals de omvang van de organisatie, al sprake zijn van een onderneming.
Rechtbank en hof waren in een procedure die ging over de kwalificatie van incassoactiviteiten van oordeel dat deze een bron van inkomen vormden, maar dat nog geen sprake was van een onderneming. De omzet vóór aftrek van kosten was in de jaren waarop de procedure betrekking had gering. Ruim 80% van de uren was indirect; het aantal directe uren was zowel absoluut als relatief gering. De Wet IB 2001 stelt overigens voor het ondernemerschap geen eisen aan de omvang van de omzet. Volgens de Hoge Raad heeft het hof dat niet miskend, maar heeft het hof de hoogte van de omzet als een van de factoren meegewogen bij zijn oordeel dat er geen sprake is van een onderneming.