
De Wet IB 2001 bevat een rangorderegeling voor de indeling van inkomensbestanddelen. De regeling komt erop neer dat een voordeel dat in meerdere inkomenscategorieën kan worden ingedeeld, uitsluitend wordt belast volgens de regels van het eerste hoofdstuk of de eerste afdeling of paragraaf van de wet. De belastbare winst uit onderneming komt in de wet voor het belastbare loon. Dit betekent dat eerst moet worden beoordeeld of een voordeel, dat iemand geniet, winst uit onderneming is. Als dat het geval is hoeft niet meer onderzocht te worden of het voordeel loon uit dienstbetrekking vormt.
Een belastingkundige die werkzaamheden verrichtte voor een belastingadvieskantoor had ook andere opdrachtgevers voor wie hij belastingadvieswerk deed. Niet in geschil was dat die andere opdrachten een onderneming vormden. De vraag was of de werkzaamheden voor het belastingadvieskantoor tot die onderneming konden worden gerekend. De rechtbank was van oordeel dat de belastingkundige voldoende zelfstandig was om ondernemerschap aanwezig te achten. Hij nam geen deel aan de pensioen-, ziekte- en arbeidsongeschiktheidsregelingen van het advieskantoor. Het bestaan van een gezagsverhouding was niet aannemelijk gemaakt. De belastingkundige was niet verplicht om werk of opdrachten te aanvaarden en had de bevoegdheid om zich bij aangenomen opdrachten te laten vervangen door de persoon met wie hij een samenwerkingsverband had. De rechtbank vond aannemelijk dat aard en omvang van de werkzaamheden lagen op het niveau van vennoten van het advieskantoor of van andere externe adviseurs van het advieskantoor. Als extern adviseur was de belastingkundige aansprakelijk voor beroepsrisico’s. Hof Amsterdam sloot zich in hoger beroep aan bij het oordeel van de rechtbank.