Kwade trouw niet bewezen: geen navordering
Wanneer aanvankelijk te weinig belasting is geheven heeft de inspecteur de bevoegdheid om dat te corrigeren door het opleggen van een navorderingsaanslag. Voorwaarde voor het opleggen van een navorderingsaanslag is het bestaan van een feit waaruit blijkt dat de oorspronkelijke aanslag te laag is vastgesteld, maar dat de inspecteur destijds niet bekend was. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, verhindert het opleggen van een navorderingsaanslag, tenzij de belastingplichtige op dit punt te kwader trouw is. Kwade trouw is aanwezig als iemand de inspecteur opzettelijk onjuiste inlichtingen verstrekt of de juiste inlichtingen niet geeft. De inspecteur moet de kwade trouw van de belastingplichtige bewijzen.
Een inspecteur die de aanslag vennootschapsbelasting 1997 van een BV vaststelde zonder de uitkomst van een in gang gezet taxatieonderzoek dat betrekking had op onroerendgoedtransacties in 1997 af te wachten, verspeelde het recht om op grond van de uitkomst van de taxatie na te vorderen. Alleen indien de inspecteur kwade trouw kon bewijzen was navordering toegestaan. De discussie had betrekking op de overdracht aan de dochters van de aandeelhouder van de BV van een perceel grond dat onderdeel vormde van een groter geheel en dat was aangekocht en verkocht in samenhang met een aantal andere transacties. Volgens de inspecteur had de aandeelhouder als deskundige op het terrein van onroerend goed moeten weten dat de waarde van het perceel grond veel hoger was dan de gehanteerde overdrachtsprijs. Daardoor had de BV zich een voordeel laten ontgaan. Het opzettelijk niet verstrekken van informatie in de aangifte en het niet verantwoorden van winst bij deze transactie maakte de BV volgens de inspecteur te kwader trouw.
Op basis van de grote verschillen tussen de vijf uitgebrachte taxaties concludeerde het Hof dat het waarderen van een dergelijk object op een later tijdstip zeer lastig is. De taxaties waren eigenlijk rekenkundige exercities, waarbij wijziging van één van de variabelen grote verschillen in de uitkomst kan hebben. De vraag of de belastingplichtige te kwader trouw is geweest kon aan de hand van de taxaties niet worden beantwoord. De taxaties konden geen betrouwbaar beeld schetsen van de waarde in het economische verkeer op het moment van overdracht. Wel kwamen alle taxaties ruim boven de overdrachtsprijs uit maar dat vond het Hof onvoldoende bewijs voor kwade trouw. Dit betekende dat de inspecteur niet bevoegd was om een navorderingsaanslag op te leggen.
Wanneer aanvankelijk te weinig belasting is geheven heeft de inspecteur de bevoegdheid om dat te corrigeren door het opleggen van een navorderingsaanslag. Voorwaarde voor het opleggen van een navorderingsaanslag is het bestaan van een feit waaruit blijkt dat de oorspronkelijke aanslag te laag is vastgesteld, maar dat de inspecteur destijds niet bekend was. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, verhindert het opleggen van een navorderingsaanslag, tenzij de belastingplichtige op dit punt te kwader trouw is. Kwade trouw is aanwezig als iemand de inspecteur opzettelijk onjuiste inlichtingen verstrekt of de juiste inlichtingen niet geeft. De inspecteur moet de kwade trouw van de belastingplichtige bewijzen.
Een inspecteur die de aanslag vennootschapsbelasting 1997 van een BV vaststelde zonder de uitkomst van een in gang gezet taxatieonderzoek dat betrekking had op onroerendgoedtransacties in 1997 af te wachten, verspeelde het recht om op grond van de uitkomst van de taxatie na te vorderen. Alleen indien de inspecteur kwade trouw kon bewijzen was navordering toegestaan. De discussie had betrekking op de overdracht aan de dochters van de aandeelhouder van de BV van een perceel grond dat onderdeel vormde van een groter geheel en dat was aangekocht en verkocht in samenhang met een aantal andere transacties. Volgens de inspecteur had de aandeelhouder als deskundige op het terrein van onroerend goed moeten weten dat de waarde van het perceel grond veel hoger was dan de gehanteerde overdrachtsprijs. Daardoor had de BV zich een voordeel laten ontgaan. Het opzettelijk niet verstrekken van informatie in de aangifte en het niet verantwoorden van winst bij deze transactie maakte de BV volgens de inspecteur te kwader trouw.
Op basis van de grote verschillen tussen de vijf uitgebrachte taxaties concludeerde het Hof dat het waarderen van een dergelijk object op een later tijdstip zeer lastig is. De taxaties waren eigenlijk rekenkundige exercities, waarbij wijziging van één van de variabelen grote verschillen in de uitkomst kan hebben. De vraag of de belastingplichtige te kwader trouw is geweest kon aan de hand van de taxaties niet worden beantwoord. De taxaties konden geen betrouwbaar beeld schetsen van de waarde in het economische verkeer op het moment van overdracht. Wel kwamen alle taxaties ruim boven de overdrachtsprijs uit maar dat vond het Hof onvoldoende bewijs voor kwade trouw. Dit betekende dat de inspecteur niet bevoegd was om een navorderingsaanslag op te leggen.