Kwade trouw bij opstellen aangifte
Wanneer een belastingaanslag te laag is vastgesteld kan de inspecteur dat corrigeren door het opleggen van een navorderingsaanslag op voorwaarde dat de inspecteur ten tijde van het opleggen van de oorspronkelijke aanslag niet beschikte over de kennis die heeft geleid tot de navorderingsaanslag. Uitzondering daarop is de situatie waarin de belastingplichtige te kwader trouw heeft gehandeld bij het opstellen van de aangifte of in het traject van vaststellen van de aanslag.
Volgens Hof Amsterdam is voorwaardelijke opzet bij het doen van een onjuiste aangifte vereist voor de kwade trouw van een belastingplichtige. Dat is niet aan de orde als de belastingplichtige het verzorgen en indienen van de aangifte heeft uitbesteed en de fouten in de aangifte zelf niet heeft onderkend tot het moment waarop de inspecteur hem op deze fouten heeft gewezen. De belastingplichtige in de betreffende procedure was zich er niet van bewust dat de door hem voor het indienen van de aangifte ingeschakelde persoon onvoldoende deskundig was. Dat betekende naar het oordeel van het Hof dat de belastingplichtige zich er niet van bewust was dat een onjuiste aangifte werd gedaan. Eventuele kwade trouw van de persoon die was ingeschakeld voor het indienen van de aangifte hoefde volgens het Hof niet te worden vastgesteld omdat deze toch niet aan de belastingplichtige kon worden toegerekend.
De Hoge Raad heeft dat oordeel van het Hof vernietigd. Anders dan bij het opleggen van een boete geldt voor het indienen van een aangifte wel dat kwade trouw van de daarvoor ingeschakelde persoon wordt toegerekend aan de belastingplichtige. Er moet nu door Hof Den Haag worden uitgezocht of de persoon die de aangifte heeft opgesteld en ingediend voor de belastingplichtige te kwader trouw was.
Wanneer een belastingaanslag te laag is vastgesteld kan de inspecteur dat corrigeren door het opleggen van een navorderingsaanslag op voorwaarde dat de inspecteur ten tijde van het opleggen van de oorspronkelijke aanslag niet beschikte over de kennis die heeft geleid tot de navorderingsaanslag. Uitzondering daarop is de situatie waarin de belastingplichtige te kwader trouw heeft gehandeld bij het opstellen van de aangifte of in het traject van vaststellen van de aanslag.
Volgens Hof Amsterdam is voorwaardelijke opzet bij het doen van een onjuiste aangifte vereist voor de kwade trouw van een belastingplichtige. Dat is niet aan de orde als de belastingplichtige het verzorgen en indienen van de aangifte heeft uitbesteed en de fouten in de aangifte zelf niet heeft onderkend tot het moment waarop de inspecteur hem op deze fouten heeft gewezen. De belastingplichtige in de betreffende procedure was zich er niet van bewust dat de door hem voor het indienen van de aangifte ingeschakelde persoon onvoldoende deskundig was. Dat betekende naar het oordeel van het Hof dat de belastingplichtige zich er niet van bewust was dat een onjuiste aangifte werd gedaan. Eventuele kwade trouw van de persoon die was ingeschakeld voor het indienen van de aangifte hoefde volgens het Hof niet te worden vastgesteld omdat deze toch niet aan de belastingplichtige kon worden toegerekend.
De Hoge Raad heeft dat oordeel van het Hof vernietigd. Anders dan bij het opleggen van een boete geldt voor het indienen van een aangifte wel dat kwade trouw van de daarvoor ingeschakelde persoon wordt toegerekend aan de belastingplichtige. Er moet nu door Hof Den Haag worden uitgezocht of de persoon die de aangifte heeft opgesteld en ingediend voor de belastingplichtige te kwader trouw was.