Kostenvergoeding bij uitoefening optierecht geen kapitaalstorting
Werknemers van een BV die de hun toegekende optierechten uitoefenden moesten daarvoor naast de uitoefenprijs van de optie een vergoeding betalen voor door de BV gemaakte kosten. Deze vergoeding bedroeg 1% van de waarde van de uitgegeven aandelen. In de jaren 1999 en 2000 merkte de BV de ontvangen vergoedingen aan als winst, maar in het jaar 2001 merkte de BV de in dat jaar ontvangen bedragen aan als extra kapitaalstorting. Die verandering was ingegeven door een arrest van de Hoge Raad uit 2001. De Hoge Raad overwoog in dat arrest dat de positie van een optiehouder overeenkomt met die van een aandeelhouder en dat alle transacties tussen de optiehouder en de vennootschap net als bij de aandeelhouder buiten de winstsfeer worden afgewikkeld.Volgens de rechtbank Breda volgt uit dat arrest niet dat elke betaling door een optiehouder aan de optierechtverlenende vennootschap een kapitaalstorting is. Er was geen sprake van stortingen op aandelen en evenmin van informeel kapitaal. De voor een informele kapitaalstorting vereiste bewustheid van het inbrengen van kapitaal ontbrak bij de optiehouders, aangezien de betaling voortvloeide uit de contractuele verplichting om de kosten te vergoeden. Dat zou alleen anders kunnen zijn wanneer de BV amper kosten had gemaakt bij de uitgifte van aandelen aan de optiehouders en de optiehouders zich daarvan bewust waren.
Werknemers van een BV die de hun toegekende optierechten uitoefenden moesten daarvoor naast de uitoefenprijs van de optie een vergoeding betalen voor door de BV gemaakte kosten. Deze vergoeding bedroeg 1% van de waarde van de uitgegeven aandelen. In de jaren 1999 en 2000 merkte de BV de ontvangen vergoedingen aan als winst, maar in het jaar 2001 merkte de BV de in dat jaar ontvangen bedragen aan als extra kapitaalstorting. Die verandering was ingegeven door een arrest van de Hoge Raad uit 2001. De Hoge Raad overwoog in dat arrest dat de positie van een optiehouder overeenkomt met die van een aandeelhouder en dat alle transacties tussen de optiehouder en de vennootschap net als bij de aandeelhouder buiten de winstsfeer worden afgewikkeld.Volgens de rechtbank Breda volgt uit dat arrest niet dat elke betaling door een optiehouder aan de optierechtverlenende vennootschap een kapitaalstorting is. Er was geen sprake van stortingen op aandelen en evenmin van informeel kapitaal. De voor een informele kapitaalstorting vereiste bewustheid van het inbrengen van kapitaal ontbrak bij de optiehouders, aangezien de betaling voortvloeide uit de contractuele verplichting om de kosten te vergoeden. Dat zou alleen anders kunnen zijn wanneer de BV amper kosten had gemaakt bij de uitgifte van aandelen aan de optiehouders en de optiehouders zich daarvan bewust waren.