Kosten studie fiscaal recht geen ondernemingskosten voor belastingadviseur
Een zelfstandige ondernemer werkte als belastingadviseur. Hij had een opleiding op hbo-niveau. Daarna volgde hij een kopstudie fiscaal recht aan een universiteit. De kosten daarvan wilde hij als ondernemingskosten in aftrek brengen. Daarnaast maakte hij aanspraak op scholingsaftrek voor deze kosten. De inspecteur weigerde de aftrek als ondernemingskosten maar stond wel persoonsgebonden aftrek van scholingsuitgaven toe. Volgens vaste jurisprudentie gelden studiekosten als ondernemingskosten als de ondernemer, die al over de nodige vakkennis beschikt, kosten maakt om zijn kennis op peil te houden. Daaronder valt ook de aanvulling van vakkennis om de vakbekwaamheid niet te doen verminderen. Als de studie er toe leidt dat de ondernemer zijn vakbekwaamheid uitbreidt vormen de studiekosten geen ondernemingskosten. Naar het oordeel van Hof Leeuwarden was hier sprake van de uitbreiding van de vakbekwaamheid. Het volgen van een universitaire studie na een hbo-opleiding vormt niet alleen een verbreding maar ook een verdieping van kennis. Het door de ondernemer aangevoerde argument dat het behalen van een academische titel was gericht op het verkrijgen van meer klandizie gaf naar het oordeel van het Hof aan dat het volgen van de kopstudie strekte tot verbetering van de financieel-economische positie en dus tot een uitbreiding van de vakbekwaamheid. De inspecteur had de aftrek van de studiekosten als ondernemingskosten en de gevraagde scholingsaftrek terecht geweigerd en als scholingsuitgaven, verminderd met de daarvoor geldende drempel, in aanmerking genomen.
Een zelfstandige ondernemer werkte als belastingadviseur. Hij had een opleiding op hbo-niveau. Daarna volgde hij een kopstudie fiscaal recht aan een universiteit. De kosten daarvan wilde hij als ondernemingskosten in aftrek brengen. Daarnaast maakte hij aanspraak op scholingsaftrek voor deze kosten. De inspecteur weigerde de aftrek als ondernemingskosten maar stond wel persoonsgebonden aftrek van scholingsuitgaven toe. Volgens vaste jurisprudentie gelden studiekosten als ondernemingskosten als de ondernemer, die al over de nodige vakkennis beschikt, kosten maakt om zijn kennis op peil te houden. Daaronder valt ook de aanvulling van vakkennis om de vakbekwaamheid niet te doen verminderen. Als de studie er toe leidt dat de ondernemer zijn vakbekwaamheid uitbreidt vormen de studiekosten geen ondernemingskosten. Naar het oordeel van Hof Leeuwarden was hier sprake van de uitbreiding van de vakbekwaamheid. Het volgen van een universitaire studie na een hbo-opleiding vormt niet alleen een verbreding maar ook een verdieping van kennis. Het door de ondernemer aangevoerde argument dat het behalen van een academische titel was gericht op het verkrijgen van meer klandizie gaf naar het oordeel van het Hof aan dat het volgen van de kopstudie strekte tot verbetering van de financieel-economische positie en dus tot een uitbreiding van de vakbekwaamheid. De inspecteur had de aftrek van de studiekosten als ondernemingskosten en de gevraagde scholingsaftrek terecht geweigerd en als scholingsuitgaven, verminderd met de daarvoor geldende drempel, in aanmerking genomen.