Kosten opleiding tot heks waren geen ondernemingskosten
Een kunstenares werkte als artiest en actrice. Zij was van plan om workshops en educatie te gaan geven over de middeleeuwen en hekserij. In dat kader volgde zij een opleiding tot heks. De opleiding duurde één jaar en één dag. De totale kosten van de opleiding bedroegen € 2.067. De kunstenares rekende de kosten minus de drempel aanvankelijk tot de aftrekbare scholingsuitgaven in het jaar 2002. Later stelde zij zich op het standpunt dat de opleidingskosten ondernemingskosten waren. De aan de opleiding bestede uren rekende zij tot de aan de onderneming bestede uren. Met inbegrip van deze uren voldeed zij aan het urencriterium. De rechtbank Leeuwarden accepteerde het ondernemerschap van de kunstenares, ondanks de verantwoording van de opbrengsten als resultaat uit overige werkzaamheden in de aangifte. De inspecteur bestreed het ondernemerschap niet. De opleidingskosten waren echter geen ondernemingskosten omdat de kunstenares daardoor een belangrijke grotere vakkennis had verworven. Dat had tot gevolg dat de aan de opleiding bestede tijd niet meetelde voor de toepassing van het urencriterium. Daardoor voldeed zij niet aan het urencriterium en had zij geen recht op zelfstandigenaftrek.
Een kunstenares werkte als artiest en actrice. Zij was van plan om workshops en educatie te gaan geven over de middeleeuwen en hekserij. In dat kader volgde zij een opleiding tot heks. De opleiding duurde één jaar en één dag. De totale kosten van de opleiding bedroegen € 2.067. De kunstenares rekende de kosten minus de drempel aanvankelijk tot de aftrekbare scholingsuitgaven in het jaar 2002. Later stelde zij zich op het standpunt dat de opleidingskosten ondernemingskosten waren. De aan de opleiding bestede uren rekende zij tot de aan de onderneming bestede uren. Met inbegrip van deze uren voldeed zij aan het urencriterium. De rechtbank Leeuwarden accepteerde het ondernemerschap van de kunstenares, ondanks de verantwoording van de opbrengsten als resultaat uit overige werkzaamheden in de aangifte. De inspecteur bestreed het ondernemerschap niet. De opleidingskosten waren echter geen ondernemingskosten omdat de kunstenares daardoor een belangrijke grotere vakkennis had verworven. Dat had tot gevolg dat de aan de opleiding bestede tijd niet meetelde voor de toepassing van het urencriterium. Daardoor voldeed zij niet aan het urencriterium en had zij geen recht op zelfstandigenaftrek.