
De berekening van de fiscale jaarwinst geschiedt volgens de regels van goed koopmansgebruik. Een van deze regels is de toepassing van het matchingbeginsel. Op grond daarvan moeten ontvangsten en uitgaven worden toegerekend aan de jaren waarop zij betrekking hebben en moeten uitgaven worden toegerekend aan de opbrengsten waarop zij betrekking hebben.
Met toepassing van het matchingbeginsel was het niet toegestaan dat een BV die in het jaar 2000 haar deelnemingen verkocht, de daarop betrekking hebbende verkoopkosten in 2002 ten laste van haar resultaat bracht. Er was immers sprake van een direct verband tussen de verkoopkosten en de opbrengst van de verkoop van de deelnemingen. De BV wilde met toepassing van het eenvoudbeginsel de verkoopkosten in het jaar 2002 ten laste van haar resultaat brengen, omdat pas in dat jaar de verkoopkosten aan haar waren doorberekend door haar moedermaatschappij.
De rechtbank Arnhem is van oordeel dat de toepassing van het matchingbeginsel alleen in uitzonderingssituaties wordt verhinderd door het eenvoudbeginsel. Een dergelijke uitzondering deed zich hier niet voor.