
Buitengewone uitgaven als ziektekosten en uitgaven wegens overlijden waren tot 1 januari 2009 aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. De aftrekbaarheid van uitgaven wegens overlijden was beperkt tot kosten die betrekking hebben op de belastingplichtige zelf, zijn partner en zijn kinderen, voor zo ver zij jonger waren dan 27 jaar. Het ging om uitgaven die rechtstreeks verband moesten houden met het overlijden, de begrafenis of de crematie en reis- en verblijfkosten in verband met de laatste ziekte van de in het buitenland verblijvende partner of kinderen.
Van belang voor de aftrekbaarheid was dat de uitgaven op de belastingplichtige drukten. Dat is niet het geval met begrafeniskosten van de belastingplichtige zelf, als de kosten pas opkomen en betaald worden na diens overlijden. De kosten drukten dan niet op de belastingplichtige, maar op zijn erfgenamen. Bij een belastingplichtige zonder partner waren dergelijke kosten dus niet aftrekbaar.