
Tot 1 januari 2003 bevatte de Wet op de Loonbelasting de zogenaamde feestdagen- of geschenkenregeling. Op grond daarvan kon een werkgever bij feestdagen onbelaste uitkeringen (geschenken) doen aan zijn werknemers tot een bedrag van € 136 per werknemer per jaar. Voorwaarde voor toepassing van deze regeling was dat de uitkeringen onverplicht moesten zijn. Een geschenk is immers iets wat onverplicht gegeven wordt.
Een werkgever wilde het ziekteverzuim onder zijn personeel bestrijden door met ingang van het jaar 1999 uitkeringen onder de feestdagenregeling afhankelijk te stellen van de periode waarin de werknemer niet had verzuimd wegens ziekte. De belastingdienst was van mening dat de feestdagenregeling niet van toepassing was op deze uitkeringen en legde een naheffingsaanslag loonbelasting op. Volgens de Hoge Raad wekte de werkgever de schijn dat hij een uitkering zou doen aan alle personeelsleden die in het jaar 1999 voldeden aan de voorwaarden. Doordat de werkgever zich op deze wijze had verplicht om in voorkomende gevallen de toegezegde uitkeringen te betalen was van geschenken geen sprake meer. Na verwijzing stelde Hof Den Bosch vast dat de regeling van het jaar 1999 ook in de jaren 2000 tot en met 2002 werd toegepast. Behoudens de vastlegging in de administratie van de gedane uitkeringen waren er geen stukken over de regeling in de jaren 2000 tot en met 2002. Het enige nadere stuk betrof de beëindiging van de regeling in verband met de wetswijziging per 1 januari 2003. Het hof was van oordeel dat de inspecteur ook over die jaren terecht loonbelasting had nageheven over de door de werkgever gedane uitkeringen.