Kledingpakket voetballers was loon in natura
Een Betaald Voetbalorganisatie (BVO) had een kledingsponsor. Op grond van de sponsorovereenkomst ontvingen 50 werknemers van de BVO een kledingpakket. Het sponsorbedrag bedroeg € 16.200 per seizoen. Een aantal kledingstukken was voorzien van clublogo’s, maar geen van de logo’s voldeed aan de eis die de wet stelt aan werkkleding. Volgens deze eis moet de minimale oppervlakte van een logo per kledingstuk 70 cm² bedragen. Omdat niet aan deze eis was voldaan, merkte de belastingdienst de verstrekking van het kledingpakket aan als loon in natura voor een bedrag van € 697,50 per pakket. De inspecteur ging uit van de waarde van het kledingpakket, verminderd met een bedrag wegens de aanwezigheid van de logo’s. De BVO was het niet eens met de door de belastingdienst vastgestelde naheffingsaanslag.
Volgens de wet wordt loon in natura in aanmerking genomen voor de waarde in het economische verkeer of voor het bedrag van de besparing. De BVO voerde aan dat voor de bepaling van de omvang van een logo per kledingstuk een kostuum als één kledingstuk moest worden beschouwd. De samenstellende delen van een uniform worden immers ook als één geheel gezien. Hof Arnhem volgde die zienswijze niet. Volgens het Hof zijn zowel de afzonderlijke delen als het kostuum als geheel geschikt om buiten de vervulling van de dienstbetrekking te worden gedragen.
Het Hof deelde evenmin de opvatting van de BVO dat de waarde van het kledingpakket moest worden gesteld op het bedrag dat was genoemd in het sponsorcontract, te verminderen met 50% in verband met het logo. Volgens het Hof was de belastingdienst uitgegaan van een juiste waarde in het economische verkeer en was in voldoende mate rekening gehouden met de waardevermindering van het logo.
Het Hof vernietigde wel de opgelegde vergrijpboete omdat het standpunt dat een kostuum voor de bepaling van de omvang van een logo als één geheel moest worden beschouwd pleitbaar was. Pas na een arrest van de Hoge Raad van 12 augustus 2005 staat vast dat de omvang van een logo per afzonderlijk kledingstuk moet worden bepaald.
Een Betaald Voetbalorganisatie (BVO) had een kledingsponsor. Op grond van de sponsorovereenkomst ontvingen 50 werknemers van de BVO een kledingpakket. Het sponsorbedrag bedroeg € 16.200 per seizoen. Een aantal kledingstukken was voorzien van clublogo’s, maar geen van de logo’s voldeed aan de eis die de wet stelt aan werkkleding. Volgens deze eis moet de minimale oppervlakte van een logo per kledingstuk 70 cm² bedragen. Omdat niet aan deze eis was voldaan, merkte de belastingdienst de verstrekking van het kledingpakket aan als loon in natura voor een bedrag van € 697,50 per pakket. De inspecteur ging uit van de waarde van het kledingpakket, verminderd met een bedrag wegens de aanwezigheid van de logo’s. De BVO was het niet eens met de door de belastingdienst vastgestelde naheffingsaanslag.
Volgens de wet wordt loon in natura in aanmerking genomen voor de waarde in het economische verkeer of voor het bedrag van de besparing. De BVO voerde aan dat voor de bepaling van de omvang van een logo per kledingstuk een kostuum als één kledingstuk moest worden beschouwd. De samenstellende delen van een uniform worden immers ook als één geheel gezien. Hof Arnhem volgde die zienswijze niet. Volgens het Hof zijn zowel de afzonderlijke delen als het kostuum als geheel geschikt om buiten de vervulling van de dienstbetrekking te worden gedragen.
Het Hof deelde evenmin de opvatting van de BVO dat de waarde van het kledingpakket moest worden gesteld op het bedrag dat was genoemd in het sponsorcontract, te verminderen met 50% in verband met het logo. Volgens het Hof was de belastingdienst uitgegaan van een juiste waarde in het economische verkeer en was in voldoende mate rekening gehouden met de waardevermindering van het logo.
Het Hof vernietigde wel de opgelegde vergrijpboete omdat het standpunt dat een kostuum voor de bepaling van de omvang van een logo als één geheel moest worden beschouwd pleitbaar was. Pas na een arrest van de Hoge Raad van 12 augustus 2005 staat vast dat de omvang van een logo per afzonderlijk kledingstuk moet worden bepaald.