Keuze voor uitstel belastingheffing optierecht
Het loonbegrip van de Wet op de Loonbelasting is ruim: alle voordelen die een werknemer geniet uit zijn dienstbetrekking vormen loon. Een van die voordelen is een optierecht op aandelen. De waarde van een optie wordt tot het loon gerekend op het moment van onvoorwaardelijke toekenning van de optie. Voor de waardering van de opties gelden bepaalde rekenregels. Tot 1 januari 2005 kon de werknemer ervoor kiezen om de belastingheffing uit te stellen tot het moment van uitoefenen of vervreemden van de optierechten. Indien daarvoor is gekozen wordt de werkelijk gemaakte winst belast. Deze winst bestaat uit de waarde in het economische verkeer minus de uitoefenprijs van het optierecht.
Op het moment van toekenning van optierechten in 2001 aan enkele werknemers had de werkgever geen loonheffing ingehouden. Ook als er geen verzoek zou zijn gedaan om uitstel van belastingheffing had een werknemer door in te stemmen met het niet inhouden van loonbelasting en door in zijn aangifte over 2001 de toekenning van de opties niet te verwerken zijn keuze voor uitstel gemaakt. Daardoor had in het jaar 2005, toen de werknemer zijn optierechten verkocht, belastingheffing plaats moeten vinden. Dat gebeurde aanvankelijk niet omdat de werknemer bestreed dat een verzoek om uitstel van belastingheffing was gedaan. Toen de inspecteur later via een andere afdeling van de belastingdienst een kopie van het verzoek om uitstel onder ogen kreeg legde hij een navorderingsaanslag op. Naar het oordeel van de rechtbank was dat toegestaan.
Het loonbegrip van de Wet op de Loonbelasting is ruim: alle voordelen die een werknemer geniet uit zijn dienstbetrekking vormen loon. Een van die voordelen is een optierecht op aandelen. De waarde van een optie wordt tot het loon gerekend op het moment van onvoorwaardelijke toekenning van de optie. Voor de waardering van de opties gelden bepaalde rekenregels. Tot 1 januari 2005 kon de werknemer ervoor kiezen om de belastingheffing uit te stellen tot het moment van uitoefenen of vervreemden van de optierechten. Indien daarvoor is gekozen wordt de werkelijk gemaakte winst belast. Deze winst bestaat uit de waarde in het economische verkeer minus de uitoefenprijs van het optierecht.
Op het moment van toekenning van optierechten in 2001 aan enkele werknemers had de werkgever geen loonheffing ingehouden. Ook als er geen verzoek zou zijn gedaan om uitstel van belastingheffing had een werknemer door in te stemmen met het niet inhouden van loonbelasting en door in zijn aangifte over 2001 de toekenning van de opties niet te verwerken zijn keuze voor uitstel gemaakt. Daardoor had in het jaar 2005, toen de werknemer zijn optierechten verkocht, belastingheffing plaats moeten vinden. Dat gebeurde aanvankelijk niet omdat de werknemer bestreed dat een verzoek om uitstel van belastingheffing was gedaan. Toen de inspecteur later via een andere afdeling van de belastingdienst een kopie van het verzoek om uitstel onder ogen kreeg legde hij een navorderingsaanslag op. Naar het oordeel van de rechtbank was dat toegestaan.