Kapitaalverzekering en direct ingaande lijfrente

Onder de Wet IB 1964 gold een vrijstelling voor de uitkering bij leven uit een kapitaalverzekering indien aan een aantal voorwaarden was voldaan. De voorwaarden hadden betrekking op looptijd, duur van de premiebetaling en verhouding tussen hoogste en laagste premie. Voor lijfrenteverzekeringen waarvan de koopsom of de premie niet aftrekbaar was, gold dat de uitkeringen pas belast werden wanneer het totaal van de uitkeringen hoger was dan de som van de betaalde premies of de koopsom. Het combineren van beide verzekeringsvormen was een veel voorkomende beleggingsvorm. In een aantal gevallen heeft de Hoge Raad daar een streep door gehaald, namelijk in die gevallen waarin beide verzekeringen een grote mate van onderlinge samenhang vertoonden. Indien beide verzekeringen in looptijd op elkaar waren afgestemd, dezelfde verzekeringnemer, verzekerde en begunstigde en dezelfde ingangsdatum hadden en bij dezelfde verzekeringsmaatschappij waren ondergebracht terwijl de hoogte van de lijfrente-uitkering overeenkwam met de premie voor de kapitaalverzekering, werd het geheel aangemerkt als één spaarcontract. De vrijstellingen voor de afzonderlijke verzekeringen golden dan niet. Het op elkaar afstemmen van looptijden van verzekeringen wil niet zeggen dat de looptijden gelijk moeten zijn. De Hoge Raad concludeerde dat er voldoende samenhang bestond tussen twee polissen die waren gebaseerd op het bedrag dat de verzekeringnemer als koopsom beschikbaar had. De verzekeringen waren bij dezelfde maatschappij afgesloten en hadden een gelijke ingangsdatum, dezelfde persoon als verzekeringnemer, verzekerde en begunstigde. Daarnaast was de hoogte van de lijfrente-uitkering voldoende om de premie voor de kapitaalverzekering te betalen. De Hoge Raad merkte de combinatie aan als een spaarcontract voor de looptijd van de kapitaalverzekering.
Onder de Wet IB 1964 gold een vrijstelling voor de uitkering bij leven uit een kapitaalverzekering indien aan een aantal voorwaarden was voldaan. De voorwaarden hadden betrekking op looptijd, duur van de premiebetaling en verhouding tussen hoogste en laagste premie. Voor lijfrenteverzekeringen waarvan de koopsom of de premie niet aftrekbaar was, gold dat de uitkeringen pas belast werden wanneer het totaal van de uitkeringen hoger was dan de som van de betaalde premies of de koopsom. Het combineren van beide verzekeringsvormen was een veel voorkomende beleggingsvorm. In een aantal gevallen heeft de Hoge Raad daar een streep door gehaald, namelijk in die gevallen waarin beide verzekeringen een grote mate van onderlinge samenhang vertoonden. Indien beide verzekeringen in looptijd op elkaar waren afgestemd, dezelfde verzekeringnemer, verzekerde en begunstigde en dezelfde ingangsdatum hadden en bij dezelfde verzekeringsmaatschappij waren ondergebracht terwijl de hoogte van de lijfrente-uitkering overeenkwam met de premie voor de kapitaalverzekering, werd het geheel aangemerkt als één spaarcontract. De vrijstellingen voor de afzonderlijke verzekeringen golden dan niet.
Het op elkaar afstemmen van looptijden van verzekeringen wil niet zeggen dat de looptijden gelijk moeten zijn.
De Hoge Raad concludeerde dat er voldoende samenhang bestond tussen twee polissen die waren gebaseerd op het bedrag dat de verzekeringnemer als koopsom beschikbaar had. De verzekeringen waren bij dezelfde maatschappij afgesloten en hadden een gelijke ingangsdatum, dezelfde persoon als verzekeringnemer, verzekerde en begunstigde. Daarnaast was de hoogte van de lijfrente-uitkering voldoende om de premie voor de kapitaalverzekering te betalen.
De Hoge Raad merkte de combinatie aan als een spaarcontract voor de looptijd van de kapitaalverzekering.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u