Kantonrechtersformule bij kennelijk onredelijk ontslag
De opzegging van een arbeidsovereenkomst is kennelijk onredelijk als een redelijk oordelende werkgever niet tot een dergelijke opzegging had kunnen komen of als de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging. Wanneer de kantonrechter in een procedure vaststelt dat de opzegging kennelijk onredelijk was, wordt daarmee niet de dienstbetrekking hersteld, maar zal de werkgever een schadevergoeding moeten betalen aan de werknemer. Bij de beantwoording van de vraag of de opzegging van de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk is, moeten alle feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen. Daardoor kunnen ook feiten en omstandigheden die niet de aanleiding zijn geweest voor de opzegging toch in de beoordeling worden betrokken.
Hof Den Haag heeft in een aantal kennelijk onredelijk ontslagzaken de kantonrechtersformule als uitgangspunt genomen voor de berekening van de aan de werknemer toekomende vergoeding. Het Hof is daarmee teruggekomen op zijn eerdere jurisprudentie, waarin het heeft geoordeeld dat de kantonrechtersformule niet als maatstaf of basis kan worden genomen. In de juridische literatuur bestaat al geruime tijd discussie over de verschillende uitkomsten in ontbindingsprocedures en kennelijk onredelijk ontslagprocedures. De kantonrechters zijn verdeeld: sommigen passen de kantonrechtersformule toe, anderen niet. De gerechtshoven zijn over het algemeen tegen het gebruik van de kantonrechtersformule bij kennelijk onredelijk ontslag, terwijl de Hoge Raad zich daar nog niet over heeft uitgesproken. De bestaande verschillen zijn uit oogpunt van rechtseenheid ongewenst. Om aan die verschillen een eind te maken hanteert Hof Den Haag nu de kantonrechtersformule zowel in ontbindingsprocedures als in kennelijk onredelijk ontslagzaken. In beide gevallen gaat het immers om een vergoeding voor de gevolgen van het eindigen van de dienstbetrekking. Voor de goede orde zij opgemerkt, dat in geval van een ontbindingsprocedure aan de kantonrechter wordt gevraagd om de bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden. Bij een kennelijk onredelijk ontslag is de arbeidsovereenkomst al ontbonden en vraagt de voormalige werknemer om een schadevergoeding omdat de nadelige gevolgen van zijn ontslag voor hem zwaarder wegen dan het belang van de werkgever daarbij.
Overigens is het niet zo dat in alle gevallen waarin het ontslag heeft plaatsgevonden zonder vergoeding op basis van de kantonrechtersformule sprake is van kennelijk onredelijk ontslag. Hof Den Haag vindt dat in het kader van de ontslagprocedure tenminste 70% van de volgens de kantonrechtersformule berekende vergoeding moet zijn aangeboden.
De opzegging van een arbeidsovereenkomst is kennelijk onredelijk als een redelijk oordelende werkgever niet tot een dergelijke opzegging had kunnen komen of als de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging. Wanneer de kantonrechter in een procedure vaststelt dat de opzegging kennelijk onredelijk was, wordt daarmee niet de dienstbetrekking hersteld, maar zal de werkgever een schadevergoeding moeten betalen aan de werknemer. Bij de beantwoording van de vraag of de opzegging van de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk is, moeten alle feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen. Daardoor kunnen ook feiten en omstandigheden die niet de aanleiding zijn geweest voor de opzegging toch in de beoordeling worden betrokken.<BR>Hof Den Haag heeft in een aantal kennelijk onredelijk ontslagzaken de kantonrechtersformule als uitgangspunt genomen voor de berekening van de aan de werknemer toekomende vergoeding. Het Hof is daarmee teruggekomen op zijn eerdere jurisprudentie, waarin het heeft geoordeeld dat de kantonrechtersformule niet als maatstaf of basis kan worden genomen. In de juridische literatuur bestaat al geruime tijd discussie over de verschillende uitkomsten in ontbindingsprocedures en kennelijk onredelijk ontslagprocedures. De kantonrechters zijn verdeeld: sommigen passen de kantonrechtersformule toe, anderen niet. De gerechtshoven zijn over het algemeen tegen het gebruik van de kantonrechtersformule bij kennelijk onredelijk ontslag, terwijl de Hoge Raad zich daar nog niet over heeft uitgesproken. De bestaande verschillen zijn uit oogpunt van rechtseenheid ongewenst. Om aan die verschillen een eind te maken hanteert Hof Den Haag nu de kantonrechtersformule zowel in ontbindingsprocedures als in kennelijk onredelijk ontslagzaken. In beide gevallen gaat het immers om een vergoeding voor de gevolgen van het eindigen van de dienstbetrekking. Voor de goede orde zij opgemerkt, dat in geval van een ontbindingsprocedure aan de kantonrechter wordt gevraagd om de bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden. Bij een kennelijk onredelijk ontslag is de arbeidsovereenkomst al ontbonden en vraagt de voormalige werknemer om een schadevergoeding omdat de nadelige gevolgen van zijn ontslag voor hem zwaarder wegen dan het belang van de werkgever daarbij.<BR>Overigens is het niet zo dat in alle gevallen waarin het ontslag heeft plaatsgevonden zonder vergoeding op basis van de kantonrechtersformule sprake is van kennelijk onredelijk ontslag. Hof Den Haag vindt dat in het kader van de ontslagprocedure tenminste 70% van de volgens de kantonrechtersformule berekende vergoeding moet zijn aangeboden.