
In de Tweede Kamer zijn vragen gesteld aan de staatssecretaris van Financiën over een onbedoeld effect van wijzigingen in de Uitvoeringsregeling loonbelasting per 1 januari 2011. De vragen hebben betrekking op een nieuw artikel voor regelingen van vervroegde uittreding die tussen 2006 en 2011 bij een verzekeraar zijn ondergebracht.
Om de arbeidsparticipatie van ouderen te bevorderen en de vervroegde uittreding te ontmoedigen is per 1 januari 2005 de VUT-heffing ingevoerd, die wordt geheven van de werkgever of de verzekeraar die een VUT-regeling uitvoert. Bij de uitvoering van een VUT-regeling door een verzekeraar vindt ook VUT-heffing plaats over de bijdrage van de werkgever. Om cumulatie te voorkomen is geregeld dat bij de verzekeraar geen VUT-heffing over de VUT-uitkering plaatsvindt voor zover VUT-heffing is geheven over de werkgeversbijdrage aan de verzekeraar. Het tarief voor de VUT-heffing bedroeg tot en met 2010 26%. Vanaf 1 januari 2011 bedraagt het tarief 52%.
Over werkgeversbijdragen die zijn betaald voor de invoering van de VUT-heffing per 1 januari 2005 is uiteraard geen VUT-heffing betaald. In die situatie is de anticumulatiebepaling niet van toepassing.
De tekst van het artikel van de anticumulatiebepaling in de Uitvoeringsregeling 2011 gaat verder dan het voorkomen van onbedoelde voordelen. De staatssecretaris van Financiën heeft daarom besloten de tekst van de bepaling met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2011 aan te passen.