
In de Tweede Kamer zijn vragen gesteld over verschillende vormen van jeugdzorg en de eventuele btw-plicht. De vragen hadden betrekking op pleegzorg door pleegouders, jeugdzorg in gezinsvervangende huizen en gezinshuizen waarbij de gezinsouder in dienst is van een instelling voor jeugdzorg en gezinshuizen binnen een franchiseformule. Voor het antwoord op de vraag of btw is verschuldigd, moet in de eerste plaats worden vastgesteld of de betrokken personen of instellingen als ondernemer optreden. Het antwoord op die vraag is afhankelijk van de feiten en omstandigheden die zich in een concrete situatie voordoen. Als sprake is van ondernemerschap komt de vraag aan de orde of de vrijstelling voor de leveringen en diensten van stichtingen en zorgaanbieders als bedoeld in de Wet op de jeugdzorg van toepassing is. Onder artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg vallen de stichtingen die een bureau jeugdzorg in stand houden. Deze vrijstelling geldt alleen voor ondernemers die geen winst beogen. De staatssecretaris wil dat jeugdzorg altijd vrijgesteld is van btw, ongeacht of de betrokken ondernemer winst beoogt. Er komt een aanpassing van de wet. Daarop vooruitlopend komt er een beleidsbesluit waarin de staatssecretaris goedkeurt dat de vrijstelling voor jeugdzorg ook toepassing kan vinden op winstbeogende ondernemers.