
In de Tweede Kamer zijn vragen gesteld aan de minister van Financiën over de gevolgen die het belasten van de reiskostenvergoeding voor het woon-werkverkeer heeft op de huurtoeslag, de zorgtoeslag en de kinderopvangtoeslag. Het aanmerken van vergoedingen als loon leidt tot een verhoging van het belastbare loon c.q. het belastbare inkomen en dus tot een verlaging van het recht op toeslagen. In zijn antwoorden wijst de minister erop dat niet in alle gevallen het inkomen van werknemers zal verhogen door de wetswijziging. Dit is namelijk afhankelijk van de wijze waarop de werkgever daarmee omgaat. De werkgever die de werkkostenregeling toepast kan de reiskostenvergoeding in de vrije ruimte brengen en onbelast blijven vergoeden. Als de vrije ruimte wordt overschreden, komt de belasting als eindheffing voor rekening van de werkgever. De werkgever die de werkkostenregeling niet toepast, kan de reiskosten voor woon-werkverkeer tot een bedrag van € 200 per maand als eindheffing aanwijzen. Ook dan komt de belasting voor zijn rekening. In beide gevallen heeft de wetswijziging geen gevolgen voor het recht op toeslagen van de werknemer. De minister wijst erop dat slechts een deel van de toeslaggerechtigden een vergoeding voor het woon-werkverkeer krijgt.