Invoervrijstelling kleine zendingen geldt niet voor groupageverzendingen
Op grond van een EG-verordening gold een vrijstelling van invoerrechten voor zendingen uit een land buiten de EU van goederen met een te verwaarlozen waarde die rechtstreeks naar een geadresseerde in de Gemeenschap werden gezonden. De intrinsieke waarde mocht niet meer dan 22 ecu per zending bedragen Deze vrijstelling was naar het oordeel van Hof Amsterdam niet van toepassing op zendingen naar een bedrijf binnen de EU die de zendingen vervolgens doorstuurde naar de klanten. Het bedrijf was van mening dat de klanten de geadresseerden van de zendingen waren. Volgens het Hof was uit de ingediende aangifte niet af te leiden dat de klant betrokken was bij het doen van deze aangifte. De klant was derhalve niet de schuldenaar van de douaneschuld in de zin van het CDW. De bij de aangifte gevoegde lijst met de namen van de klanten bij wie de goederen moesten worden afgeleverd was in dezen niet van belang. De belastingdienst had ter zake van de invoer ook omzetbelasting nageheven. Volgens het Hof was echter de verleggingsregeling bij invoer van toepassing omdat de ondernemer een aanwijzing voor de verleggingsregeling had. In dat geval kon de omzetbelasting niet worden geheven met toepassing van de regels voor douaneheffingen. In een arrest uit 2003 oordeelde de Hoge Raad dat de omzetbelasting ter zake van de invoer van voor een aangewezen ondernemer bestemde goederen op aangifte moet worden voldaan door die ondernemer, alsmede dat de bestemming van onder een douaneregeling geplaatste goederen eerst wijzigt op het tijdstip waarop de goederen worden geleverd in de zin van de Wet OB. Op het tijdstip van invoer waren de goederen nog niet aan de klant geleverd. Dat betekende dat de bestemming op dat tijdstip nog niet was gewijzigd. De uitnodiging tot betaling van omzetbelasting moest daarom vervallen.
Op grond van een EG-verordening gold een vrijstelling van invoerrechten voor zendingen uit een land buiten de EU van goederen met een te verwaarlozen waarde die rechtstreeks naar een geadresseerde in de Gemeenschap werden gezonden. De intrinsieke waarde mocht niet meer dan 22 ecu per zending bedragen Deze vrijstelling was naar het oordeel van Hof Amsterdam niet van toepassing op zendingen naar een bedrijf binnen de EU die de zendingen vervolgens doorstuurde naar de klanten. Het bedrijf was van mening dat de klanten de geadresseerden van de zendingen waren. Volgens het Hof was uit de ingediende aangifte niet af te leiden dat de klant betrokken was bij het doen van deze aangifte. De klant was derhalve niet de schuldenaar van de douaneschuld in de zin van het CDW. De bij de aangifte gevoegde lijst met de namen van de klanten bij wie de goederen moesten worden afgeleverd was in dezen niet van belang. De belastingdienst had ter zake van de invoer ook omzetbelasting nageheven. Volgens het Hof was echter de verleggingsregeling bij invoer van toepassing omdat de ondernemer een aanwijzing voor de verleggingsregeling had. In dat geval kon de omzetbelasting niet worden geheven met toepassing van de regels voor douaneheffingen. In een arrest uit 2003 oordeelde de Hoge Raad dat de omzetbelasting ter zake van de invoer van voor een aangewezen ondernemer bestemde goederen op aangifte moet worden voldaan door die ondernemer, alsmede dat de bestemming van onder een douaneregeling geplaatste goederen eerst wijzigt op het tijdstip waarop de goederen worden geleverd in de zin van de Wet OB. Op het tijdstip van invoer waren de goederen nog niet aan de klant geleverd. Dat betekende dat de bestemming op dat tijdstip nog niet was gewijzigd. De uitnodiging tot betaling van omzetbelasting moest daarom vervallen.