Invloed van vooruitbetalingen op aftrek voorbelasting
Ondernemers hebben recht op aftrek van voorbelasting, dat is de omzetbelasting die andere ondernemers aan hen in rekening hebben gebracht, voor zover zij de geleverde zaken of de verrichte prestaties gebruiken voor belaste prestaties. Ondernemers die zowel vrijgestelde als belaste prestaties verrichten hebben gedeeltelijk recht op aftrek van voorbelasting volgens de zogenaamde pro-ratamethode, dat wil zeggen in de verhouding van belaste omzet tot de totale omzet. De Hoge Raad heeft onlangs een arrest gewezen over de invloed van vooruitbetalingen op de omvang van het recht op aftrek van voorbelasting. In deze zaak ging het zowel om vooruitbetaling aan als om vooruitbetaling door de ondernemer. Bij vooruitbetalingen aan de ondernemer is de vraag of de pro-ratamethode mag worden gehanteerd. Bij de vooruitbetalingen door de ondernemer gaat het met name om de vraag of de omvang van het recht op aftrek wordt beïnvloed door verwachtingen over het toekomstige gebruik.
De ondernemer in kwestie verrichtte twee prestaties. De eerste, belaste, prestatie was het verstrekken van een gebruiksrecht voor een zekere periode. De tweede, vrijgestelde, prestatie was het verstrekken van een lening aan degene die het gebruiksrecht afnam.
Volgens de Zesde EG-richtlijn moet met vooruitbetalingen rekening gehouden worden bij de verschuldigdheid van omzetbelasting door toepassing van de kasmethode. Niet van belang is dat de prestatie nog moet worden verricht, als deze maar voldoende bepaald is. De vraag is of door de verschuldigdheid van belasting de ontvangen vooruitbetalingen meetellen als voor de pro-ratamethode relevante omzet. De Advocaat-generaal meent dat vooruitbetalingen in aanmerking moeten worden genomen bij vaststelling van de omzetverhouding.
De Hoge Raad is van oordeel dat de pro-ratamethode moet worden toegepast, tenzij is gebleken dat het werkelijke gebruik afwijkt. De bewijslast van het werkelijke gebruik rust op degene die van de pro-ratamethode wil afwijken. In deze casus was dat de inspecteur. Die kwam niet verder dan de constatering dat het werkelijke gebruik een meer voor de hand liggende en betere benadering is dan de omzetverhouding. Een dergelijke constatering vormt geen bewijs.
De Hoge Raad is verder van oordeel dat de volledige in rekening gebrachte omzetbelasting als voorbelasting in aanmerking kwam voor (pro rata) aftrek. De inspecteur wilde alleen het aan het jaar waarin de factuur was ontvangen toe te rekenen deel in aftrek toelaten. De vooruitontvangen betalingen bepaalden de pro rata-omzet. Het standpunt dat uitging van het gedurende een reeks van jaren verlenen van telkens één dienst, met vooruitbetaling van de vergoedingen daarvoor, kon niet tot cassatie leiden, omdat daarvoor een feitenonderzoek nodig is. Daarvoor biedt de cassatieprocedure geen mogelijkheid.
Ondernemers hebben recht op aftrek van voorbelasting, dat is de omzetbelasting die andere ondernemers aan hen in rekening hebben gebracht, voor zover zij de geleverde zaken of de verrichte prestaties gebruiken voor belaste prestaties. Ondernemers die zowel vrijgestelde als belaste prestaties verrichten hebben gedeeltelijk recht op aftrek van voorbelasting volgens de zogenaamde pro-ratamethode, dat wil zeggen in de verhouding van belaste omzet tot de totale omzet. De Hoge Raad heeft onlangs een arrest gewezen over de invloed van vooruitbetalingen op de omvang van het recht op aftrek van voorbelasting. In deze zaak ging het zowel om vooruitbetaling aan als om vooruitbetaling door de ondernemer. Bij vooruitbetalingen aan de ondernemer is de vraag of de pro-ratamethode mag worden gehanteerd. Bij de vooruitbetalingen door de ondernemer gaat het met name om de vraag of de omvang van het recht op aftrek wordt beïnvloed door verwachtingen over het toekomstige gebruik.
De ondernemer in kwestie verrichtte twee prestaties. De eerste, belaste, prestatie was het verstrekken van een gebruiksrecht voor een zekere periode. De tweede, vrijgestelde, prestatie was het verstrekken van een lening aan degene die het gebruiksrecht afnam.
Volgens de Zesde EG-richtlijn moet met vooruitbetalingen rekening gehouden worden bij de verschuldigdheid van omzetbelasting door toepassing van de kasmethode. Niet van belang is dat de prestatie nog moet worden verricht, als deze maar voldoende bepaald is. De vraag is of door de verschuldigdheid van belasting de ontvangen vooruitbetalingen meetellen als voor de pro-ratamethode relevante omzet. De Advocaat-generaal meent dat vooruitbetalingen in aanmerking moeten worden genomen bij vaststelling van de omzetverhouding.
De Hoge Raad is van oordeel dat de pro-ratamethode moet worden toegepast, tenzij is gebleken dat het werkelijke gebruik afwijkt. De bewijslast van het werkelijke gebruik rust op degene die van de pro-ratamethode wil afwijken. In deze casus was dat de inspecteur. Die kwam niet verder dan de constatering dat het werkelijke gebruik een meer voor de hand liggende en betere benadering is dan de omzetverhouding. Een dergelijke constatering vormt geen bewijs.
De Hoge Raad is verder van oordeel dat de volledige in rekening gebrachte omzetbelasting als voorbelasting in aanmerking kwam voor (pro rata) aftrek. De inspecteur wilde alleen het aan het jaar waarin de factuur was ontvangen toe te rekenen deel in aftrek toelaten. De vooruitontvangen betalingen bepaalden de pro rata-omzet. Het standpunt dat uitging van het gedurende een reeks van jaren verlenen van telkens één dienst, met vooruitbetaling van de vergoedingen daarvoor, kon niet tot cassatie leiden, omdat daarvoor een feitenonderzoek nodig is. Daarvoor biedt de cassatieprocedure geen mogelijkheid.