Intrekking WAO-uitkering door te hoge arbeidsvergoeding DGA
De DGA van een campingbedrijf ontving sinds 1987 een WAO-uitkering. Het UWV stelde een onderzoek in bij het bedrijf en trok op grond van de bevindingen daarvan de uitkering in omdat de DGA met zijn werkzaamheden ongeveer zijn maatmaninkomen zou kunnen verdienen. De DGA was als directeur voor tien uur per week in dienst van het campingbedrijf. Daarvoor ontving hij tot oktober 2001 een salaris van ƒ 820 per maand en vanaf oktober 2001 een salaris van ƒ 2.500 per maand. Het campingbedrijf betaalde aan de holding van de DGA jaarlijks een managementvergoeding van ƒ 100.000. De DGA had een rekening-courantschuld aan de holding. Jaarlijks nam hij grote bedragen op. Volgens de Centrale Raad van Beroep verrichtte de DGA arbeid van economische betekenis en van aantoonbare loonwaarde, waarvoor hij niet volledig zelf werd beloond, maar in verband waarmee hij zichzelf wel indirect had verrijkt. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de DGA een vergoeding van ƒ 100.000 voor het voeren van de directie over het campingbedrijf reëel vond, getuige de managementvergoeding. Volgens zijn gemachtigde zou een dergelijke vergoeding dienen te gelden voor een fulltime werkende directeur. De Raad stelde vast dat de DGA de enige persoon binnen de twee BV’s was die directietaken verrichtte. Het maatmaninkomen voor de DGA was per 26 juni 2001 op ruim ƒ 96.000 vastgesteld. Dat leidde tot een arbeidsongeschiktheid van 0 %.
De DGA van een campingbedrijf ontving sinds 1987 een WAO-uitkering. Het UWV stelde een onderzoek in bij het bedrijf en trok op grond van de bevindingen daarvan de uitkering in omdat de DGA met zijn werkzaamheden ongeveer zijn maatmaninkomen zou kunnen verdienen. De DGA was als directeur voor tien uur per week in dienst van het campingbedrijf. Daarvoor ontving hij tot oktober 2001 een salaris van ƒ 820 per maand en vanaf oktober 2001 een salaris van ƒ 2.500 per maand. Het campingbedrijf betaalde aan de holding van de DGA jaarlijks een managementvergoeding van ƒ 100.000. De DGA had een rekening-courantschuld aan de holding. Jaarlijks nam hij grote bedragen op. Volgens de Centrale Raad van Beroep verrichtte de DGA arbeid van economische betekenis en van aantoonbare loonwaarde, waarvoor hij niet volledig zelf werd beloond, maar in verband waarmee hij zichzelf wel indirect had verrijkt. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de DGA een vergoeding van ƒ 100.000 voor het voeren van de directie over het campingbedrijf reëel vond, getuige de managementvergoeding. Volgens zijn gemachtigde zou een dergelijke vergoeding dienen te gelden voor een fulltime werkende directeur. De Raad stelde vast dat de DGA de enige persoon binnen de twee BV’s was die directietaken verrichtte. Het maatmaninkomen voor de DGA was per 26 juni 2001 op ruim ƒ 96.000 vastgesteld. Dat leidde tot een arbeidsongeschiktheid van 0 %.