Intrekking cassatieberoep tegen toevoeging aan FOR tijdens navordering
De Wet op de Inkomstenbelasting kent een aantal faciliteiten voor ondernemers. Om deze faciliteiten te kunnen benutten moet de ondernemer voldoen aan het zogenaamde urencriterium, dat wil zeggen dat hij tenminste 1.225 uur werkzaam is in zijn onderneming. Een van de faciliteiten is de vorming van een oudedagsreserve. Voor de rechtbank Breda was in geschil of een ondernemer, die in zijn aangifte ervoor had gekozen om geen toevoeging aan zijn oudedagsreserve te doen, op die keuze kan terugkomen nadat hem een navorderingsaanslag is opgelegd. Volgens de rechtbank was dat mogelijk omdat bij de navorderingsaanslag de winst uit onderneming van de ondernemer op een hoger bedrag werd vastgesteld. De tekst van de wet luidt als volgt: de ondernemer kan bij het bepalen van de jaarwinst een toevoeging doen aan de oudedagsreserve. De rechtbank leest daarin geen beperking tot het moment van het indienen van de aangifte inkomstenbelasting. De staatssecretaris had aanvankelijk beroep in cassatie ingesteld, maar heeft dat beroep nu ingetrokken. Ter toelichting merkt hij het volgende op.
Door een wijziging in het wettelijke systeem met ingang van 1998 is herziening van de gemaakte keuze om al dan niet toe te voegen aan de FOR mogelijk zolang de (navorderings)aanslag nog niet onherroepelijk vaststaat. Dat betekent dat de rechtbank een juiste beslissing heeft genomen. Dotatie aan de oudedagsreserve kan in dit geval hoogstens leiden tot vernietiging van de navorderingsaanslag omdat de primitieve aanslag al onherroepelijk vaststaat en dus niet meer verminderd kan worden.
De Wet op de Inkomstenbelasting kent een aantal faciliteiten voor ondernemers. Om deze faciliteiten te kunnen benutten moet de ondernemer voldoen aan het zogenaamde urencriterium, dat wil zeggen dat hij tenminste 1.225 uur werkzaam is in zijn onderneming. Een van de faciliteiten is de vorming van een oudedagsreserve. Voor de rechtbank Breda was in geschil of een ondernemer, die in zijn aangifte ervoor had gekozen om geen toevoeging aan zijn oudedagsreserve te doen, op die keuze kan terugkomen nadat hem een navorderingsaanslag is opgelegd. Volgens de rechtbank was dat mogelijk omdat bij de navorderingsaanslag de winst uit onderneming van de ondernemer op een hoger bedrag werd vastgesteld. De tekst van de wet luidt als volgt: de ondernemer kan bij het bepalen van de jaarwinst een toevoeging doen aan de oudedagsreserve. De rechtbank leest daarin geen beperking tot het moment van het indienen van de aangifte inkomstenbelasting. De staatssecretaris had aanvankelijk beroep in cassatie ingesteld, maar heeft dat beroep nu ingetrokken. Ter toelichting merkt hij het volgende op.
Door een wijziging in het wettelijke systeem met ingang van 1998 is herziening van de gemaakte keuze om al dan niet toe te voegen aan de FOR mogelijk zolang de (navorderings)aanslag nog niet onherroepelijk vaststaat. Dat betekent dat de rechtbank een juiste beslissing heeft genomen. Dotatie aan de oudedagsreserve kan in dit geval hoogstens leiden tot vernietiging van de navorderingsaanslag omdat de primitieve aanslag al onherroepelijk vaststaat en dus niet meer verminderd kan worden.