Inspecteur had verzoek om teruggaaf douanerechten moeten voorleggen aan Europese Commissie
Een in Nederland gevestigd bedrijf had een vergunning voor de wederinvoer van computerchips met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van belasting. De chips werden uitgevoerd naar het Verre Oosten en daar verwerkt in geïntegreerde schakelingen (IC’s). De vergunning werd toegepast bij de wederinvoer van deze IC’s. Vanaf 1996 leverde het bedrijf niet langer chips, maar wafers, dat zijn plakken waarop een groot aantal chips is aangebracht. Vanwege afwijkende artikelnummers vielen de wafers niet onder de werking van de vergunning.Daardoor betaalde het bedrijf meer douanerechten. Het bedrijf verzocht om terugbetaling van een bedrag van € 1,4 miljoen aan douanerechten. De inspecteur wees dat verzoek af. In de procedure voor de Douanekamer van Hof Amsterdam stelde het bedrijf zich op het standpunt dat de inspecteur niet bevoegd was om op het verzoek te beslissen, maar dat hij het verzoek aan de Europese Commissie had moeten doorsturen. Bij een dergelijk verzoek om terugbetaling moet het bedrijf met bewijsstukken aantonen dat er een bijzondere situatie is die niet het gevolg is van manipulatie of van een klaarblijkelijke nalatigheid van het bedrijf. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van “klaarblijkelijke nalatigheid” moet rekening worden gehouden met de complexiteit van de wetsbepalingen en met de beroepservaring en de zorgvuldigheid van de ondernemer. De Douanekamer twijfelde niet aan de beroepservaring van het bedrijf. Wel was het bedrijf onzorgvuldig geweest door de artikelnummers voor wafers niet in het computerbestand op te nemen. Naar het oordeel van de Douanekamer was dit wel een nalatigheid, maar geen “klaarblijkelijke” nalatigheid. De inspecteur had het verzoek daarom niet mogen afwijzen, maar moeten voorleggen aan de Europese Commissie ter behandeling.
Een in Nederland gevestigd bedrijf had een vergunning voor de wederinvoer van computerchips met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van belasting. De chips werden uitgevoerd naar het Verre Oosten en daar verwerkt in geïntegreerde schakelingen (IC’s). De vergunning werd toegepast bij de wederinvoer van deze IC’s. Vanaf 1996 leverde het bedrijf niet langer chips, maar wafers, dat zijn plakken waarop een groot aantal chips is aangebracht. Vanwege afwijkende artikelnummers vielen de wafers niet onder de werking van de vergunning.Daardoor betaalde het bedrijf meer douanerechten. Het bedrijf verzocht om terugbetaling van een bedrag van € 1,4 miljoen aan douanerechten. De inspecteur wees dat verzoek af. In de procedure voor de Douanekamer van Hof Amsterdam stelde het bedrijf zich op het standpunt dat de inspecteur niet bevoegd was om op het verzoek te beslissen, maar dat hij het verzoek aan de Europese Commissie had moeten doorsturen. Bij een dergelijk verzoek om terugbetaling moet het bedrijf met bewijsstukken aantonen dat er een bijzondere situatie is die niet het gevolg is van manipulatie of van een klaarblijkelijke nalatigheid van het bedrijf. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van “klaarblijkelijke nalatigheid” moet rekening worden gehouden met de complexiteit van de wetsbepalingen en met de beroepservaring en de zorgvuldigheid van de ondernemer. De Douanekamer twijfelde niet aan de beroepservaring van het bedrijf. Wel was het bedrijf onzorgvuldig geweest door de artikelnummers voor wafers niet in het computerbestand op te nemen. Naar het oordeel van de Douanekamer was dit wel een nalatigheid, maar geen “klaarblijkelijke” nalatigheid. De inspecteur had het verzoek daarom niet mogen afwijzen, maar moeten voorleggen aan de Europese Commissie ter behandeling.