Inspecteur door dwaling niet gebonden aan vaststellingsovereenkomst

Een vennootschap voerde in 1999 een optieregeling in voor haar werknemers. Voor de invoering daarvan vond overleg plaats met de belastingdienst over de regeling en over de waarde van de aandelen. Uiteindelijk werd de waarde van de aandelen op ƒ 4 gesteld, terwijl de uitoefenprijs van de optierechten ƒ 7,50 bedroeg. Toekenning en aanvaarding van de onvoorwaardelijke optierechten vond plaats in mei en juni 1999. Korte tijd later ging de vennootschap naar de beurs tegen een introductieprijs van € 10 (ƒ 22). Tijdens de besprekingen met de belastingdienst over de optieregeling was de mogelijke beursgang slechts zijdelings aan de orde gekomen omdat deze vanwege een aantal belemmeringen niet op korte termijn zou plaatsvinden. De belastingdienst stelde zich op het standpunt dat zij bij het sluiten van de waardeafspraak verschoonbaar had gedwaald en legde een naheffingsaanslag loonbelasting op aan de vennootschap die was gebaseerd op de hogere waarde van de aandelen. Volgens Hof Amsterdam moeten partijen tijdens de onderhandelingen over een vaststellingsovereenkomst elkaar uit eigen beweging die informatie verschaffen waarvan zij redelijkerwijs behoren te weten dat die voor de andere partij bepalend is voor de beslissing om een overeenkomst aan te gaan. De ruimte voor een beroep op dwaling bij een vaststellingsovereenkomst is volgens het Hof in het algemeen niet groot, omdat de strekking van een dergelijke overeenkomst is om een einde aan onzekerheden te maken. De vennootschap had veel documentatie waarover zij beschikte bewust niet aan de inspecteur ter inzage verstrekt. Deze stukken bevatten naar het oordeel van het Hof informatie waarvan de vennootschap wist dat die voor de inspecteur bepalend zou zijn bij het maken van een afspraak over de waarde van de aandelen. De vennootschap had deze stukken spontaan moeten overleggen. Het Hof vond aannemelijk dat de inspecteur met die wetenschap de waardeafspraak niet zou hebben gemaakt. De inspecteur was niet gebonden aan de waardeafspraak. Gezien de gevolgen voor de berekening van het voordeel uit de optieregeling door de veel hogere waarde van de aandelen was duidelijk dat de vennootschap over het tijdvak van de naheffingsaanslag niet de vereiste aangifte voor de loonbelasting had gedaan. Daarom moest het Hof het beroep ongegrond verklaren, tenzij de vennootschap overtuigend bewees dat en in hoeverre de naheffingsaanslag na de uitspraak op het bezwaar onjuist was.De inspecteur had volgens het Hof de naheffingsaanslag niet gebaseerd op een onredelijke schatting door uit te gaan van een waarde van ƒ 22 per aandeel en van het aantal toegekende en aanvaarde optierechten volgens de jaarrekening van de vennootschap over 1999. Omdat de vennootschap pas in een zeer laat stadium informatie had verstrekt over het aantal opties per werknemer had de inspecteur naar het oordeel van het Hof terecht besloten om bij de naheffingsaanslag de eindheffingsregeling na brutering van de voordelen toe te passen. Het Hof verklaarde het beroep ongegrond.
Een vennootschap voerde in 1999 een optieregeling in voor haar werknemers. Voor de invoering daarvan vond overleg plaats met de belastingdienst over de regeling en over de waarde van de aandelen. Uiteindelijk werd de waarde van de aandelen op ƒ 4 gesteld, terwijl de uitoefenprijs van de optierechten ƒ 7,50 bedroeg. Toekenning en aanvaarding van de onvoorwaardelijke optierechten vond plaats in mei en juni 1999. Korte tijd later ging de vennootschap naar de beurs tegen een introductieprijs van € 10 (ƒ 22). Tijdens de besprekingen met de belastingdienst over de optieregeling was de mogelijke beursgang slechts zijdelings aan de orde gekomen omdat deze vanwege een aantal belemmeringen niet op korte termijn zou plaatsvinden. De belastingdienst stelde zich op het standpunt dat zij bij het sluiten van de waardeafspraak verschoonbaar had gedwaald en legde een naheffingsaanslag loonbelasting op aan de vennootschap die was gebaseerd op de hogere waarde van de aandelen. Volgens Hof Amsterdam moeten partijen tijdens de onderhandelingen over een vaststellingsovereenkomst elkaar uit eigen beweging die informatie verschaffen waarvan zij redelijkerwijs behoren te weten dat die voor de andere partij bepalend is voor de beslissing om een overeenkomst aan te gaan. De ruimte voor een beroep op dwaling bij een vaststellingsovereenkomst is volgens het Hof in het algemeen niet groot, omdat de strekking van een dergelijke overeenkomst is om een einde aan onzekerheden te maken. De vennootschap had veel documentatie waarover zij beschikte bewust niet aan de inspecteur ter inzage verstrekt. Deze stukken bevatten naar het oordeel van het Hof informatie waarvan de vennootschap wist dat die voor de inspecteur bepalend zou zijn bij het maken van een afspraak over de waarde van de aandelen. De vennootschap had deze stukken spontaan moeten overleggen. Het Hof vond aannemelijk dat de inspecteur met die wetenschap de waardeafspraak niet zou hebben gemaakt. De inspecteur was niet gebonden aan de waardeafspraak. Gezien de gevolgen voor de berekening van het voordeel uit de optieregeling door de veel hogere waarde van de aandelen was duidelijk dat de vennootschap over het tijdvak van de naheffingsaanslag niet de vereiste aangifte voor de loonbelasting had gedaan. Daarom moest het Hof het beroep ongegrond verklaren, tenzij de vennootschap overtuigend bewees dat en in hoeverre de naheffingsaanslag na de uitspraak op het bezwaar onjuist was.De inspecteur had volgens het Hof de naheffingsaanslag niet gebaseerd op een onredelijke schatting door uit te gaan van een waarde van ƒ 22 per aandeel en van het aantal toegekende en aanvaarde optierechten volgens de jaarrekening van de vennootschap over 1999. Omdat de vennootschap pas in een zeer laat stadium informatie had verstrekt over het aantal opties per werknemer had de inspecteur naar het oordeel van het Hof terecht besloten om bij de naheffingsaanslag de eindheffingsregeling na brutering van de voordelen toe te passen. Het Hof verklaarde het beroep ongegrond.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u