
De Wet Inkomstenbelasting 2001 kent een vrijstelling voor de waardeverandering van landbouwgrond, voor zover de waardeverandering is toe te rekenen aan de ontwikkeling van de waarde in het economische verkeer bij voortgezet gebruik in een landbouwbedrijf (WEVAB). Wordt bij verkoop van landbouwgrond meer betaald dan de WEVAB, dan is het meerdere belast.
In een procedure over de toepassing van de landbouwvrijstelling na de verkoop van grond die voor een andersoortig landbouwbedrijf werd gebruikt, voerde de inspecteur aan dat de WEVAB bepaald moest worden op basis van de planologische bestemming die de grond formeel bezat ten tijde van de verkoop. In dit geval ging het om weidegrond, die na de verkoop werd gebruikt voor de tuinbouw. De WEVAB van weidegrond lag lager dan die van tuinbouwgrond. Ten tijde van de verkoop van de grond stond het geldende bestemmingsplan de door de koper gewenste kassenbouw niet toe. Er was een ander bestemmingsplan in voorbereiding. Gelet op uitlatingen van de gemeente viel te verwachten dat de vereiste goedkeuring voor vestiging van het bedrijf van de koper op de verkochte grond zou worden verleend.
Hof Amsterdam is van oordeel dat de opvatting van de inspecteur geen steun vindt in de tekst van de wet of in de ontstaansgeschiedenis van de wet. In de parlementaire behandeling is de vraag gesteld of met de WEVAB is bedoeld de waarde in het economische verkeer bij eenzelfde soort agrarische aanwending. In antwoord daarop is door de staatssecretaris van Financiƫn gezegd dat de overgang van de ene naar de andere agrarische activiteit niet leidt tot belastingheffing, zolang de activiteit maar valt onder de definitie van landbouwbedrijf.
Volgens het hof kan de WEVAB hoger zijn omdat rekening is gehouden met de invloed van verwachtingen over mogelijke toekomstige aanwending van de grond in een ander soort landbouwbedrijf. De opvatting van de inspecteur is een te beperkte toepassing van de landbouwvrijstelling.