Inkomsten uit trust belast in box 3
Een inwoonster van Nederland had recht op alle (netto) inkomsten uit het vermogen in een Amerikaanse trust. Zij was de zogenaamde beneficiary van een life interest trust die door haar echtgenoot was ingesteld. Volgens de trustakte had de beneficiary recht op alle inkomsten tot haar overlijden. Het trustvermogen zou na het overlijden van de beneficiary toekomen aan de erfgenamen van de inmiddels overleden echtgenoot. De vraag was of dit recht een vermogensrecht was dat voor de inkomstenbelasting in box 3 viel of dat de inkomsten uit het trustvermogen een periodieke uitkering vormden die in box 1 belast moest worden. Hof Arnhem overwoog dat de insteller van de trust kennelijk de situatie wilde bereiken waarin hij gedurende zijn leven over de inkomsten uit dat trustvermogen kon beschikken en desgewenst kon aanvullen met uitkeringen uit dat vermogen zelf. Verder was het de bedoeling van de insteller van de trust om na zijn overlijden zijn weduwe van inkomen te voorzien en om de heffing van Amerikaans successierecht uit te stellen tot na haar overlijden. Volgens het Hof waren de inkomsten uit de trust naar Nederlandse begrippen inkomsten uit vermogen. De staatssecretaris van Financiƫn stelde beroep in cassatie in tegen deze uitspraak van Hof Arnhem. Volgens de staatssecretaris vormden deze inkomsten een reeks periodieke uitkeringen die in box 1 belast moeten worden bij de ontvanger van de uitkeringen. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie afgewezen. Er was geen andere conclusie mogelijk dan dat het vermogen in de trust was ingebracht onder de verplichting om uitkeringen aan de beneficiary te doen. Daardoor vormden de van de trust ontvangen inkomsten de tegenwaarde voor een prestatie. Of die inkomsten als periodieke uitkeringen zijn aan te merken is volgens de Hoge Raad niet van belang.
Een inwoonster van Nederland had recht op alle (netto) inkomsten uit het vermogen in een Amerikaanse trust. Zij was de zogenaamde beneficiary van een life interest trust die door haar echtgenoot was ingesteld. Volgens de trustakte had de beneficiary recht op alle inkomsten tot haar overlijden. Het trustvermogen zou na het overlijden van de beneficiary toekomen aan de erfgenamen van de inmiddels overleden echtgenoot. De vraag was of dit recht een vermogensrecht was dat voor de inkomstenbelasting in box 3 viel of dat de inkomsten uit het trustvermogen een periodieke uitkering vormden die in box 1 belast moest worden. Hof Arnhem overwoog dat de insteller van de trust kennelijk de situatie wilde bereiken waarin hij gedurende zijn leven over de inkomsten uit dat trustvermogen kon beschikken en desgewenst kon aanvullen met uitkeringen uit dat vermogen zelf. Verder was het de bedoeling van de insteller van de trust om na zijn overlijden zijn weduwe van inkomen te voorzien en om de heffing van Amerikaans successierecht uit te stellen tot na haar overlijden. Volgens het Hof waren de inkomsten uit de trust naar Nederlandse begrippen inkomsten uit vermogen. De staatssecretaris van Financiƫn stelde beroep in cassatie in tegen deze uitspraak van Hof Arnhem. Volgens de staatssecretaris vormden deze inkomsten een reeks periodieke uitkeringen die in box 1 belast moeten worden bij de ontvanger van de uitkeringen. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie afgewezen. Er was geen andere conclusie mogelijk dan dat het vermogen in de trust was ingebracht onder de verplichting om uitkeringen aan de beneficiary te doen. Daardoor vormden de van de trust ontvangen inkomsten de tegenwaarde voor een prestatie. Of die inkomsten als periodieke uitkeringen zijn aan te merken is volgens de Hoge Raad niet van belang.