Inkomenscriterium voor aftrek studiekosten?

De Wet op de Inkomstenbelasting 1964 kende twee mogelijkheden voor de aftrek van gemaakte opleidingskosten. De eerste mogelijkheid betrof de aftrek als verwervingskosten voor opleidingen die iemand volgde om zijn bestaande dienstbetrekking beter te kunnen uitvoeren. De andere mogelijkheid betrof de aftrek als buitengewone lasten voor opleidingen die iemand volgde om in de toekomst inkomsten uit arbeid te genereren. Uitgaven voor een opleiding of studie die iemand volgt als hobby of uit persoonlijke interesse komen niet in aanmerking voor aftrek. In de Wet IB 2001 zijn beide aftrekposten samengevoegd onder de aftrek voor scholingsuitgaven. Volgens de wetsgeschiedenis is het doel van het volgen van een opleiding bepalend voor de aftrekbaarheid van de kosten daarvan. Het doel moet zijn het verbeteren van de financieel-economische positie van de belastingplichtige of het op peil houden of verbeteren van kennis en vaardigheden die de belastingplichtige nodig heeft voor het verwerven of behouden van inkomen uit tegenwoordige arbeid. Het verbeteren van de financieel-economische positie houdt niet in dat een inkomensverbetering is vereist of moet worden verwacht. Zou dat wel het geval zijn dan zouden studiekosten voor een verandering van beroep zonder inkomensverbetering niet in aftrek kunnen komen. De wettekst stelt die eis niet, terwijl de wetgever door de aftrekbepaling ook de inzetbaarheid van werknemers in betrekkingen waarin een lager inkomen dan voorheen wordt genoten wil stimuleren. Om voor aftrek van opleidingskosten in aanmerking te komen moet van jaar tot jaar beoordeeld worden of de belastingplichtige het oogmerk heeft om de verworven kennis in het economische verkeer productief te maken. Dat betekent dat een belastingplichtige die met een studie is begonnen uit persoonlijke interesse, maar in een later stadium besluit de studie te gebruiken voor het verwerven van inkomen, vanaf dat moment recht heeft op aftrek van scholingsuitgaven. In het omgekeerde geval vervalt het recht op aftrek van scholingsuitgaven op het moment dat de studie alleen uit persoonlijke overwegingen wordt voortgezet. Dat is de strekking van een conclusie van de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad in een procedure die betrekking heeft op de aftrek van kosten voor een opleiding tot vlieginstructeur. Hof Arnhem weigerde de aftrek omdat het inkomen van de vlieginstructeur in zijn eerdere functie beduidend hoger was dan het salaris dat hij als instructeur verdiende. In de opvatting van de AG is geen vereiste voor aftrek van opleidingskosten dat iemand er financieel-economisch op vooruitgaat.
De Wet op de Inkomstenbelasting 1964 kende twee mogelijkheden voor de aftrek van gemaakte opleidingskosten. De eerste mogelijkheid betrof de aftrek als verwervingskosten voor opleidingen die iemand volgde om zijn bestaande dienstbetrekking beter te kunnen uitvoeren. De andere mogelijkheid betrof de aftrek als buitengewone lasten voor opleidingen die iemand volgde om in de toekomst inkomsten uit arbeid te genereren. Uitgaven voor een opleiding of studie die iemand volgt als hobby of uit persoonlijke interesse komen niet in aanmerking voor aftrek. In de Wet IB 2001 zijn beide aftrekposten samengevoegd onder de aftrek voor scholingsuitgaven. Volgens de wetsgeschiedenis is het doel van het volgen van een opleiding bepalend voor de aftrekbaarheid van de kosten daarvan. Het doel moet zijn het verbeteren van de financieel-economische positie van de belastingplichtige of het op peil houden of verbeteren van kennis en vaardigheden die de belastingplichtige nodig heeft voor het verwerven of behouden van inkomen uit tegenwoordige arbeid.
Het verbeteren van de financieel-economische positie houdt niet in dat een inkomensverbetering is vereist of moet worden verwacht. Zou dat wel het geval zijn dan zouden studiekosten voor een verandering van beroep zonder inkomensverbetering niet in aftrek kunnen komen. De wettekst stelt die eis niet, terwijl de wetgever door de aftrekbepaling ook de inzetbaarheid van werknemers in betrekkingen waarin een lager inkomen dan voorheen wordt genoten wil stimuleren.
Om voor aftrek van opleidingskosten in aanmerking te komen moet van jaar tot jaar beoordeeld worden of de belastingplichtige het oogmerk heeft om de verworven kennis in het economische verkeer productief te maken. Dat betekent dat een belastingplichtige die met een studie is begonnen uit persoonlijke interesse, maar in een later stadium besluit de studie te gebruiken voor het verwerven van inkomen, vanaf dat moment recht heeft op aftrek van scholingsuitgaven. In het omgekeerde geval vervalt het recht op aftrek van scholingsuitgaven op het moment dat de studie alleen uit persoonlijke overwegingen wordt voortgezet.
Dat is de strekking van een conclusie van de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad in een procedure die betrekking heeft op de aftrek van kosten voor een opleiding tot vlieginstructeur.
Hof Arnhem weigerde de aftrek omdat het inkomen van de vlieginstructeur in zijn eerdere functie beduidend hoger was dan het salaris dat hij als instructeur verdiende. In de opvatting van de AG is geen vereiste voor aftrek van opleidingskosten dat iemand er financieel-economisch op vooruitgaat.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u