Inkomenscorrectie navordering onredelijke schatting
Een strafrechtelijk onderzoek dat betrekking had op het verlenen van diensten bij geldtransacties met personen in het Midden Oosten was aanleiding voor de belastingdienst om aan de betrokkene navorderingsaanslagen inkomstenbelasting op te leggen in verband met genoten inkomsten. Bij gebrek aan informatie door de betrokkene stelde de belastingdienst de hoogte van de genoten provisies ambtshalve vast. De betrokkene gaf toe dat hij in 1998 en met ingang van 2002 dergelijke activiteiten had verricht maar bestreed dat hij in de jaren 1999 tot en met 2001 inkomsten zou hebben genoten uit dergelijke werkzaamheden. Hof Leeuwarden vond op grond van wat de inspecteur had aangevoerd en de inhoud van het proces-verbaal aannemelijk dat de man ook in de jaren tussen 1998 en 2002 betrokken was geweest bij geldtransacties. De vraag was of hij daarmee een voordeel had behaald. De belanghebbende beweerde dat het merendeel van de ontvangen provisies bestemd was voor zijn contacten in Irak en Jordanië. Slechts een gering deel van de provisies zou hij hebben achtergehouden ter compensatie van de door hem gemaakte kosten voor reizen, telefoon en dergelijke. De belanghebbende had geen bewijsstukken van de betalingen aan zijn contacten of van de door hem gemaakte kosten. De inspecteur had met gemaakte kosten geen rekening gehouden. Hij bestreed niet dat de belanghebbende kosten had gemaakt. Het Hof vond niet aannemelijk dat de gemaakte kosten ten minste gelijk waren aan de ontvangen provisies. Wel was het Hof van oordeel dat de schatting van de inspecteur van de genoten provisies niet juist kon zijn. Het Hof stelde het behaalde voordeel vast op 0,5% van de door het Hof veronderstelde transactiebedragen. Het aldus berekende voordeel bedroeg in 1999 ƒ 10.000, in 2000 ƒ 20.000 en in 2001 ƒ 30.000. De inspecteur had een boete van 50% van de nagevorderde belasting opgelegd wegens het opzettelijk doen van onjuiste aangiften. De inspecteur vond niet aannemelijk dat de belanghebbende niet zou hebben stilgestaan bij de fiscale gevolgen van het genieten van inkomsten. Het Hof vond opzet niet bewezen. De inspecteur had de belanghebbende geen grove schuld verweten. Daarom moest de boete volgens het Hof vervallen.
Een strafrechtelijk onderzoek dat betrekking had op het verlenen van diensten bij geldtransacties met personen in het Midden Oosten was aanleiding voor de belastingdienst om aan de betrokkene navorderingsaanslagen inkomstenbelasting op te leggen in verband met genoten inkomsten. Bij gebrek aan informatie door de betrokkene stelde de belastingdienst de hoogte van de genoten provisies ambtshalve vast. De betrokkene gaf toe dat hij in 1998 en met ingang van 2002 dergelijke activiteiten had verricht maar bestreed dat hij in de jaren 1999 tot en met 2001 inkomsten zou hebben genoten uit dergelijke werkzaamheden. Hof Leeuwarden vond op grond van wat de inspecteur had aangevoerd en de inhoud van het proces-verbaal aannemelijk dat de man ook in de jaren tussen 1998 en 2002 betrokken was geweest bij geldtransacties. De vraag was of hij daarmee een voordeel had behaald. De belanghebbende beweerde dat het merendeel van de ontvangen provisies bestemd was voor zijn contacten in Irak en Jordanië. Slechts een gering deel van de provisies zou hij hebben achtergehouden ter compensatie van de door hem gemaakte kosten voor reizen, telefoon en dergelijke. De belanghebbende had geen bewijsstukken van de betalingen aan zijn contacten of van de door hem gemaakte kosten. De inspecteur had met gemaakte kosten geen rekening gehouden. Hij bestreed niet dat de belanghebbende kosten had gemaakt. Het Hof vond niet aannemelijk dat de gemaakte kosten ten minste gelijk waren aan de ontvangen provisies. Wel was het Hof van oordeel dat de schatting van de inspecteur van de genoten provisies niet juist kon zijn. Het Hof stelde het behaalde voordeel vast op 0,5% van de door het Hof veronderstelde transactiebedragen. Het aldus berekende voordeel bedroeg in 1999 ƒ 10.000, in 2000 ƒ 20.000 en in 2001 ƒ 30.000. De inspecteur had een boete van 50% van de nagevorderde belasting opgelegd wegens het opzettelijk doen van onjuiste aangiften. De inspecteur vond niet aannemelijk dat de belanghebbende niet zou hebben stilgestaan bij de fiscale gevolgen van het genieten van inkomsten. Het Hof vond opzet niet bewezen. De inspecteur had de belanghebbende geen grove schuld verweten. Daarom moest de boete volgens het Hof vervallen.