Inhouding dividendbelasting op uitkering aan Antilliaanse moeder
Bij de uitkering van dividend door een vennootschap aan haar aandeelhouders moet de vennootschap dividendbelasting inhouden. Wanneer de aandeelhouder een in Nederland gevestigde vennootschap is en de deelnemingsvrijstelling van toepassing is op het aandelenbelang hoeft geen dividendbelasting ingehouden te worden. Is de aandeelhouder niet in Nederland maar op de Nederlandse Antillen gevestigd, dan wordt de inhouding van dividendbelasting in een aantal gevallen beperkt door de Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK).
In het geval van een Antilliaanse vennootschap met een belang van 45% in een Nederlandse vennootschap bedroeg de Nederlandse dividendbelasting volgens de BRK 8,3%. De Antilliaanse aandeelhouder bepleitte dat op grond van de vrijheid van kapitaalverkeer van het EG-verdrag geen dividendbelasting mocht worden ingehouden. De belastingdienst stelde zich op het standpunt dat het EG-verdrag niet van toepassing was op kapitaalverkeer tussen Nederland en de Nederlandse Antillen. De rechtbank deelde deze opvatting niet. De nationale wet en de BRK zijn van een lagere orde dan het EG-verdrag.
Toch kon dat de Antilliaanse aandeelhouder niet baten. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EG is, wanneer een vennootschap een controlerende invloed heeft op een dochtervennootschap, de bepaling uit het EG-verdrag betreffende de vrijheid van vestiging van toepassing en niet de bepaling betreffende de vrijheid van kapitaalverkeer.
De rechtbank was van oordeel dat de drie aandeelhouders die ook nog eens de directeur en de president-commissaris leverden van de Nederlandse vennootschap een samenwerkende groep vormden. Deze groep bepaalde de besluiten en de activiteiten van de Nederlandse vennootschap volledig. De drie aandeelhouders hadden ieder een controlerend belang in de Nederlandse vennootschap.
De Nederlandse Antillen zijn geen lidstaat van de EG. Het verbod op beperkingen van de vrijheid van vestiging geldt niet in de situatie waarin een op de Nederlandse Antillen gevestigde vennootschap een deelneming heeft in een in Nederland gevestigde vennootschap. Inhouding van dividendbelasting was daarom toegestaan.
Bij de uitkering van dividend door een vennootschap aan haar aandeelhouders moet de vennootschap dividendbelasting inhouden. Wanneer de aandeelhouder een in Nederland gevestigde vennootschap is en de deelnemingsvrijstelling van toepassing is op het aandelenbelang hoeft geen dividendbelasting ingehouden te worden. Is de aandeelhouder niet in Nederland maar op de Nederlandse Antillen gevestigd, dan wordt de inhouding van dividendbelasting in een aantal gevallen beperkt door de Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK).
In het geval van een Antilliaanse vennootschap met een belang van 45% in een Nederlandse vennootschap bedroeg de Nederlandse dividendbelasting volgens de BRK 8,3%. De Antilliaanse aandeelhouder bepleitte dat op grond van de vrijheid van kapitaalverkeer van het EG-verdrag geen dividendbelasting mocht worden ingehouden. De belastingdienst stelde zich op het standpunt dat het EG-verdrag niet van toepassing was op kapitaalverkeer tussen Nederland en de Nederlandse Antillen. De rechtbank deelde deze opvatting niet. De nationale wet en de BRK zijn van een lagere orde dan het EG-verdrag.
Toch kon dat de Antilliaanse aandeelhouder niet baten. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EG is, wanneer een vennootschap een controlerende invloed heeft op een dochtervennootschap, de bepaling uit het EG-verdrag betreffende de vrijheid van vestiging van toepassing en niet de bepaling betreffende de vrijheid van kapitaalverkeer.
De rechtbank was van oordeel dat de drie aandeelhouders die ook nog eens de directeur en de president-commissaris leverden van de Nederlandse vennootschap een samenwerkende groep vormden. Deze groep bepaalde de besluiten en de activiteiten van de Nederlandse vennootschap volledig. De drie aandeelhouders hadden ieder een controlerend belang in de Nederlandse vennootschap.
De Nederlandse Antillen zijn geen lidstaat van de EG. Het verbod op beperkingen van de vrijheid van vestiging geldt niet in de situatie waarin een op de Nederlandse Antillen gevestigde vennootschap een deelneming heeft in een in Nederland gevestigde vennootschap. Inhouding van dividendbelasting was daarom toegestaan.