
Wanneer een vennootschap dividend uitkeert aan haar aandeelhouders moet daarop in beginsel dividendbelasting worden ingehouden. In een aantal gevallen verhindert de Europese regelgeving dat dividendbelasting moet worden ingehouden. De inhouding en afdracht van dividendbelasting in deelnemingsverhoudingen kan zowel onder de bepalingen betreffende de vrijheid van vestiging als onder de bepalingen betreffende de vrijheid van kapitaalverkeer vallen.
Uit een arrest van de Hoge Raad uit 2010 vloeit voort dat een dividenduitkering op aandelen, die de mogelijkheid bieden om een beslissende invloed op de besluiten van de deelneming uit te oefenen en de activiteiten van de deelneming te bepalen, onder de bepalingen van de vrijheid van vestiging vallen. De nationale wetgeving moet in die gevallen niet worden getoetst aan de vrijheid van kapitaalverkeer, ook niet als het gaat om kapitaalverkeer met landen buiten de EU.
De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie dat door een Nederlandse vennootschap was ingesteld tegen de beslissing van Hof Den Bosch over de verschuldigdheid van dividendbelasting afgewezen. De Nederlandse vennootschap had een 100%-aandeelhouder. Dat was een in Canada gevestigde vennootschap. De Nederlandse vennootschap fungeerde als tussenholding. Volgens de Hoge Raad is een tussenholding in een concern geen beleggingsmaatschappij en worden de aandelen in die tussenholding niet gehouden als een belegging. Dat wordt niet anders als de tussenholding zich in het geheel niet bemoeit met de gang van zaken bij haar deelnemingen. Toetsing van de bepalingen van de dividendbelasting aan de vrijheid van kapitaalverkeer is dan niet aan de orde.