Indienen schattingsformulier is geen verzoek om voorlopige aanslag
Met behulp van een zogenoemde SO-diskette deed iemand opgave van zijn geschatte belastbare inkomens uit werk en woning, aanmerkelijk belang en sparen en beleggen voor het jaar 2004. Op grond van deze schatting zou € 255.000 aan belasting en premies volksverzekeringen moeten worden betaald. De Belastingdienst legde naar aanleiding van deze gegevens geen voorlopige aanslag IB 2004 op. Op 27 december 2005 diende de belanghebbende zijn aangifte IB 2004 in. Daarop volgde begin 2006 een voorlopige aanslag conform de in 2004 gedane schatting. Er werd een bedrag van € 13.580 aan heffingsrente in rekening gebracht. De belanghebbende maakte bezwaar tegen de berekende heffingsrente en verzocht daarnaast om de belastingschuld voor het jaar 2004 op te nemen in box 3. De belastingdienst wees het bezwaar af. De wettelijke regeling biedt volgens de rechtbank Leeuwarden geen ruimte om het in rekening brengen van heffingsrente achterwege te laten of te beperken omdat de Belastingdienst geen voorlopige aanslag heeft opgelegd, terwijl zij de daarvoor benodigde gegevens wel voorhanden had. Alleen wanneer een duidelijk en volledig verzoek om een voorlopige aanslag op te leggen is gedaan kan op grond van een besluit van Financiën het in rekening brengen van heffingsrente beperkt worden. De rechtbank was van oordeel dat het doen van opgave van een schatting van het inkomen niet gelijk is aan het doen van een uitdrukkelijk verzoek om een voorlopige aanslag op te leggen. Daardoor kon de belanghebbende ook geen beroep doen op de goedkeuring van de staatssecretaris om bij de berekening van de rendementsgrondslag in box 3 rekening te houden met de te verwachten maar niet opgelegde (voorlopige) aanslag. Voorwaarde voor een geslaagd beroep op die goedkeuring is dat voor 1 oktober een verzoek om een voorlopige aanslag is gedaan.
Met behulp van een zogenoemde SO-diskette deed iemand opgave van zijn geschatte belastbare inkomens uit werk en woning, aanmerkelijk belang en sparen en beleggen voor het jaar 2004. Op grond van deze schatting zou € 255.000 aan belasting en premies volksverzekeringen moeten worden betaald. De Belastingdienst legde naar aanleiding van deze gegevens geen voorlopige aanslag IB 2004 op. Op 27 december 2005 diende de belanghebbende zijn aangifte IB 2004 in. Daarop volgde begin 2006 een voorlopige aanslag conform de in 2004 gedane schatting. Er werd een bedrag van € 13.580 aan heffingsrente in rekening gebracht. De belanghebbende maakte bezwaar tegen de berekende heffingsrente en verzocht daarnaast om de belastingschuld voor het jaar 2004 op te nemen in box 3. De belastingdienst wees het bezwaar af. De wettelijke regeling biedt volgens de rechtbank Leeuwarden geen ruimte om het in rekening brengen van heffingsrente achterwege te laten of te beperken omdat de Belastingdienst geen voorlopige aanslag heeft opgelegd, terwijl zij de daarvoor benodigde gegevens wel voorhanden had. Alleen wanneer een duidelijk en volledig verzoek om een voorlopige aanslag op te leggen is gedaan kan op grond van een besluit van Financiën het in rekening brengen van heffingsrente beperkt worden. De rechtbank was van oordeel dat het doen van opgave van een schatting van het inkomen niet gelijk is aan het doen van een uitdrukkelijk verzoek om een voorlopige aanslag op te leggen. Daardoor kon de belanghebbende ook geen beroep doen op de goedkeuring van de staatssecretaris om bij de berekening van de rendementsgrondslag in box 3 rekening te houden met de te verwachten maar niet opgelegde (voorlopige) aanslag. Voorwaarde voor een geslaagd beroep op die goedkeuring is dat voor 1 oktober een verzoek om een voorlopige aanslag is gedaan.