
Een ondernemer die zijn onderneming beëindigt, kan de belastingheffing over de daarbij behaalde winst uitstellen door een recht op periodieke uitkeringen aan te kopen. Dat kan bij een professionele verzekeringsmaatschappij of bij de partij die de onderneming overneemt. Ingeval van inbreng van de onderneming in een BV kan het recht op uitkeringen dus van de BV worden bedongen. Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is het niet mogelijk om een recht op periodieke uitkeringen van de BV te bedingen ten laste van de winst als de onderneming door de BV wordt doorverkocht.
Die situatie deed zich voor bij een ondernemer die in de loop van 2000 contact had met potentiële kopers van de onderneming. In diezelfde periode tekende hij een intentieverklaring om de onderneming in te brengen in een BV. In 2001 stelde de ondernemer een nieuwe intentieverklaring op met als overgangstijdstip 1 januari 2001. Nog voor de oprichting van de BV een feit was, verkocht de ondernemer de onderneming met als geplande leveringsdatum 31 juli 2001. De koopovereenkomst bevatte als ontbindende voorwaarde het sluiten van een huurovereenkomst voor het bedrijfspand. Vanwege problemen met de verhuurder vond de levering uiteindelijk op 16 oktober 2001 plaats. Op 13 september 2001 was de BV opgericht en de onderneming ingebracht.
Het tijdsverloop tussen de inbreng van de onderneming in de BV en de levering van de onderneming aan de koper was dermate kort dat sprake was van een onmiddellijk volgende overdracht aan een derde.
De rechtbank en Hof Den Haag vonden de stelling van de ondernemer dat hij ernstig rekening hield met voortzetting van de onderneming op zich geloofwaardig, maar duidelijk was dat de ondernemer de tenuitvoerlegging van de koopovereenkomst nastreefde. Van de mogelijkheid om onder de verkoopovereenkomst uit te komen had hij immers geen gebruik gemaakt. De ondernemer had geen recht op aftrek van de koopsom voor het recht op periodieke uitkeringen.