In Polen werkende en wonende chauffeurs waren hier premieplichtig
Een in Nederland gevestigd transportbedrijf had twee Poolse chauffeurs in dienst. Tussen het bedrijf en de chauffeurs bestond een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van de sociale werknemersverzekeringswetten. De chauffeurs woonden in Polen. Zij verrichtten in de jaren 1995 tot en met 1997 ongeveer 61 % van hun werkzaamheden in Polen. Aan het bedrijf werden correctienota’s en boetenota’s opgelegd. Voor de Centrale Raad van Beroep was in geschil of deze chauffeurs op grond van hun dienstbetrekking verplicht verzekerd waren. Dat moest worden beoordeeld aan de hand van de nationale wet- en regelgeving en het Europees Verdrag betreffende de sociale zekerheid van arbeiders werkzaam bij het internationaal vervoer. Een in het buitenland wonende werknemer die behoort tot het rijdend personeel van een in Nederland gevestigde werkgever die internationaal vervoer verricht, is in Nederland verzekerd tenzij hij in hoofdzaak in het woonland arbeid verricht. Volgens het UWV moest daarvoor meer dan 70 % van de uren in het woonland worden gewerkt. Het transportbedrijf meende dat hoofdzakelijk betekende meer dan 50 %.De Centrale Raad van Beroep was van oordeel dat een uitzondering op een hoofdregel restrictief moet worden uitgelegd. De formulering in het verdrag (uitsluitend of hoofdzakelijk) is volgens de Centrale Raad van Beroep bedoeld om een beperkte ruimte te creëren voor een arbeider die niet uitsluitend in het woonland werkt. De uitleg van het transportbedrijf vond de Centrale Raad van Beroep daarom te ruim. De Centrale Raad van Beroep sloot zich aan bij de opvatting van het UWV. Dat had tot gevolg dat het beroep werd afgewezen omdat de werknemers niet aan de eis voldeden om vrijgesteld te zijn van Nederlandse premieheffing.
Een in Nederland gevestigd transportbedrijf had twee Poolse chauffeurs in dienst. Tussen het bedrijf en de chauffeurs bestond een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van de sociale werknemersverzekeringswetten. De chauffeurs woonden in Polen. Zij verrichtten in de jaren 1995 tot en met 1997 ongeveer 61 % van hun werkzaamheden in Polen. Aan het bedrijf werden correctienota’s en boetenota’s opgelegd. Voor de Centrale Raad van Beroep was in geschil of deze chauffeurs op grond van hun dienstbetrekking verplicht verzekerd waren. Dat moest worden beoordeeld aan de hand van de nationale wet- en regelgeving en het Europees Verdrag betreffende de sociale zekerheid van arbeiders werkzaam bij het internationaal vervoer. Een in het buitenland wonende werknemer die behoort tot het rijdend personeel van een in Nederland gevestigde werkgever die internationaal vervoer verricht, is in Nederland verzekerd tenzij hij in hoofdzaak in het woonland arbeid verricht. Volgens het UWV moest daarvoor meer dan 70 % van de uren in het woonland worden gewerkt. Het transportbedrijf meende dat hoofdzakelijk betekende meer dan 50 %.De Centrale Raad van Beroep was van oordeel dat een uitzondering op een hoofdregel restrictief moet worden uitgelegd. De formulering in het verdrag (uitsluitend of hoofdzakelijk) is volgens de Centrale Raad van Beroep bedoeld om een beperkte ruimte te creëren voor een arbeider die niet uitsluitend in het woonland werkt. De uitleg van het transportbedrijf vond de Centrale Raad van Beroep daarom te ruim. De Centrale Raad van Beroep sloot zich aan bij de opvatting van het UWV. Dat had tot gevolg dat het beroep werd afgewezen omdat de werknemers niet aan de eis voldeden om vrijgesteld te zijn van Nederlandse premieheffing.