In jaar van overlijden door keuze voor partnerschap vermindering belasting in box 3
Aan het huwelijk van twee mensen kwam op 27 april 2001 een einde door het overlijden van de man. De adviseur van het echtpaar verwerkte in de aangifte inkomstenbelasting 2001 van de man het box 3 inkomen over het gehele jaar. Als box 3 inkomen gaf hij aan 4% van de gemiddelde rendementsgrondslag per 1 januari 2001 en per 31 december 2001, verminderd met het heffingsvrije vermogen. In de aangifte van de echtgenote werd geen rekening gehouden met inkomen in box 3. De belastingdienst volgde de aangifte voor de man, maar stelde bij de vrouw het belastbare inkomen in box 3 vast op € 33.970. De adviseur diende een bezwaarschrift in tegen beide aanslagen. Hij diende daarbij een verbeterde aangifte voor de man in, waarbij hij ervoor koos om man en vrouw voor het gehele jaar 2001 als partners aan te merken. Die keuze was aanvankelijk niet gemaakt. Bij het inkomen in box 3 ging hij uit van 1 % van de gemiddelde rendementsgrondslag. De belastingdienst verminderde de aanslag van de vrouw bij de uitspraak op het bezwaar door het belastbare inkomen uit sparen en beleggen vast te stellen op nihil. De inspecteur accepteerde wel de keuze voor het voljaarspartnerschap, maar niet de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen naar tijdsgelang. In de procedure over de aanslag van de man oordeelde Hof Leeuwarden, dat door de keuze voor partnerschap gedurende het gehele jaar van overlijden op alle peildata voor de rendementsgrondslag in het betreffende kalenderjaar de bestanddelen van de rendementsgrondslag vrijelijk mochten worden verdeeld tussen de partners. In geval van overlijden geldt echter een bijzondere regeling, waardoor de “tweede” peildatum voor de man zijn overlijdensdatum was en het percentage van 4 naar tijdsgelang werd herleid. De rendementsgrondslag werd verminderd omdat aanvankelijk was uitgegaan van de waarde op 31 december in plaats van de overlijdensdatum. Het voordeel uit sparen en beleggen, dat normaliter 4% bedraagt, werd naar tijdsgelang verminderd tot 1%.
Aan het huwelijk van twee mensen kwam op 27 april 2001 een einde door het overlijden van de man. De adviseur van het echtpaar verwerkte in de aangifte inkomstenbelasting 2001 van de man het box 3 inkomen over het gehele jaar. Als box 3 inkomen gaf hij aan 4% van de gemiddelde rendementsgrondslag per 1 januari 2001 en per 31 december 2001, verminderd met het heffingsvrije vermogen. In de aangifte van de echtgenote werd geen rekening gehouden met inkomen in box 3. De belastingdienst volgde de aangifte voor de man, maar stelde bij de vrouw het belastbare inkomen in box 3 vast op € 33.970. De adviseur diende een bezwaarschrift in tegen beide aanslagen. Hij diende daarbij een verbeterde aangifte voor de man in, waarbij hij ervoor koos om man en vrouw voor het gehele jaar 2001 als partners aan te merken. Die keuze was aanvankelijk niet gemaakt. Bij het inkomen in box 3 ging hij uit van 1 % van de gemiddelde rendementsgrondslag. De belastingdienst verminderde de aanslag van de vrouw bij de uitspraak op het bezwaar door het belastbare inkomen uit sparen en beleggen vast te stellen op nihil. De inspecteur accepteerde wel de keuze voor het voljaarspartnerschap, maar niet de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen naar tijdsgelang. In de procedure over de aanslag van de man oordeelde Hof Leeuwarden, dat door de keuze voor partnerschap gedurende het gehele jaar van overlijden op alle peildata voor de rendementsgrondslag in het betreffende kalenderjaar de bestanddelen van de rendementsgrondslag vrijelijk mochten worden verdeeld tussen de partners. In geval van overlijden geldt echter een bijzondere regeling, waardoor de “tweede” peildatum voor de man zijn overlijdensdatum was en het percentage van 4 naar tijdsgelang werd herleid. De rendementsgrondslag werd verminderd omdat aanvankelijk was uitgegaan van de waarde op 31 december in plaats van de overlijdensdatum. Het voordeel uit sparen en beleggen, dat normaliter 4% bedraagt, werd naar tijdsgelang verminderd tot 1%.