In cassatie geen mogelijkheid tot feitenonderzoek: Hofuitspraak bleef in stand
De moedermaatschappij in een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting had een vordering op haar dochtermaatschappij die bij het aangaan van de fiscale eenheid ƒ 432.728 bedroeg. In 1992 was deze vordering opgelopen tot nominaal ƒ 4,3 miljoen. De moedermaatschappij droeg in dat jaar de vordering over aan een van haar aandeelhouders voor de waarde in het economische verkeer die op dat moment ƒ 150.000 bedroeg. De fiscale eenheid bracht in 1992 de daaruit voortvloeiende vermogensvermindering niet ten laste van de winst. In 1996 werd de schuldvordering omgezet in een uitgestelde levenslange lijfrente van bijna ƒ 400.000 per jaar, ingaande op 60-jarige leeftijd van de aandeelhouder.Tot en met 1997 waardeerde de fiscale eenheid de lijfrenteverplichting op ƒ 150.000. In 1998 stelde de fiscale eenheid de lijfrenteverplichting op de actuariële waarde van ƒ 5,5 miljoen. De inspecteur corrigeerde de aangegeven belastbare winst met een bedrag van ƒ 3,7 miljoen ter zake van de omzetting en herwaardering van de schuld. Hof Den Haag wees het ingestelde beroep af. De Hoge Raad wees in cassatie het beroep van de fiscale eenheid om de schuld op de balans van 31 december 1992 op de contante waarde in plaats van de nominale waarde te stellen af. De fiscale eenheid voerde namelijk nieuwe feiten aan ter onderbouwing van deze stelling. In cassatie is geen ruimte voor een feitelijk onderzoek.
De moedermaatschappij in een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting had een vordering op haar dochtermaatschappij die bij het aangaan van de fiscale eenheid ƒ 432.728 bedroeg. In 1992 was deze vordering opgelopen tot nominaal ƒ 4,3 miljoen. De moedermaatschappij droeg in dat jaar de vordering over aan een van haar aandeelhouders voor de waarde in het economische verkeer die op dat moment ƒ 150.000 bedroeg. De fiscale eenheid bracht in 1992 de daaruit voortvloeiende vermogensvermindering niet ten laste van de winst. In 1996 werd de schuldvordering omgezet in een uitgestelde levenslange lijfrente van bijna ƒ 400.000 per jaar, ingaande op 60-jarige leeftijd van de aandeelhouder.Tot en met 1997 waardeerde de fiscale eenheid de lijfrenteverplichting op ƒ 150.000. In 1998 stelde de fiscale eenheid de lijfrenteverplichting op de actuariële waarde van ƒ 5,5 miljoen. De inspecteur corrigeerde de aangegeven belastbare winst met een bedrag van ƒ 3,7 miljoen ter zake van de omzetting en herwaardering van de schuld. Hof Den Haag wees het ingestelde beroep af. De Hoge Raad wees in cassatie het beroep van de fiscale eenheid om de schuld op de balans van 31 december 1992 op de contante waarde in plaats van de nominale waarde te stellen af. De fiscale eenheid voerde namelijk nieuwe feiten aan ter onderbouwing van deze stelling. In cassatie is geen ruimte voor een feitelijk onderzoek.