Immateriele schadevergoeding door onredelijk lange procesduur
In de procedure over de terugvordering van een ten onrechte betaalde WW-uitkering vond de Centrale Raad van Beroep in de lange duur aanleiding om een schadevergoeding toe te kennen. Op 6 oktober 1997 maakte de ontvanger van de uitkering bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit van het UWV. De uitspraak in hoger beroep dateert van 8 december 2004. De procedure duurde daarmee zeven jaar en twee maanden. De Centrale Raad van Beroep was van oordeel dat daardoor de in het EVRM genoemde redelijke termijn was overschreden. De zaak zelf was niet complex en de lange duur was evenmin te wijten aan de opstelling van de appellant. De Centrale Raad van Beroep vond dat het Uwv onaanvaardbaar lange tijd had genomen voor de afronding van de besluitvorming over het bezwaar. Daardoor werd het recht op afdoening van het bezwaar binnen een redelijke termijn gefrustreerd. De door het Uwv te betalen immateriële schadevergoeding bedroeg € 2.000.
In de procedure over de terugvordering van een ten onrechte betaalde WW-uitkering vond de Centrale Raad van Beroep in de lange duur aanleiding om een schadevergoeding toe te kennen. Op 6 oktober 1997 maakte de ontvanger van de uitkering bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit van het UWV. De uitspraak in hoger beroep dateert van 8 december 2004. De procedure duurde daarmee zeven jaar en twee maanden. De Centrale Raad van Beroep was van oordeel dat daardoor de in het EVRM genoemde redelijke termijn was overschreden. De zaak zelf was niet complex en de lange duur was evenmin te wijten aan de opstelling van de appellant. De Centrale Raad van Beroep vond dat het Uwv onaanvaardbaar lange tijd had genomen voor de afronding van de besluitvorming over het bezwaar. Daardoor werd het recht op afdoening van het bezwaar binnen een redelijke termijn gefrustreerd. De door het Uwv te betalen immateriële schadevergoeding bedroeg € 2.000.