
Een grootvader benoemde zijn zoon tot enige erfgenaam en legde hem de last op om aan ieder van zijn kinderen een deel van zijn erfdeel toe te kennen. Dat deel was pas opeisbaar na het overlijden van de zoon en zijn echtgenote. Ter uitvoering van het testament van de grootvader erkende de vader aan zijn kinderen een gezamenlijk bedrag van € 500.000 schuldig. De verkrijging van de vader uit de nalatenschap van de grootvader viel in de huwelijksgoederengemeenschap van de vader en zijn echtgenote. Nadat de vader overleden was, overleed ook de echtgenote.
De vraag was of bij het overlijden van de echtgenote de helft van de zogenaamde “Ik, opavorderingen” als fictieve verkrijging voor de Successiewet golden. Voor een dergelijke fictieve verkrijging was een rechtshandeling, waarbij de overledene partij was, vereist. Als gevolg van deze rechtshandeling moest iemand iets ten laste van het vermogen van de erflater hebben verkregen.
De kinderen waren van mening dat hun moeder geen partij was bij de rechtshandeling in verband waarmee de erfgenamen ten koste van haar vermogen hebben verkregen. De vader was enig erfgenaam van de grootvader en had de last om bedragen schuldig te erkennen aan zijn kinderen uitgevoerd. Het feit dat moeder in algehele gemeenschap van goederen was getrouwd met de vader, maakte haar nog geen partij bij de overeenkomst waarbij de vader de bedragen schuld erkende.
Volgens Hof Amsterdam geldt op grond van het Burgerlijk Wetboek dat als de ene echtgenoot beschikt over gemeenschapsvermogen door bedragen schuldig te erkennen, hij dit mede doet namens de andere echtgenoot. Deze wettelijke regeling voor de gemeenschap van goederen brengt mee dat de andere echtgenoot wordt geacht partij te zijn geweest bij de rechtshandeling. Daarom was de echtgenote naar het oordeel van het hof partij bij de rechtshandeling die vereist is voor toepassing van de fictiebepaling.