Hypotheekschuld van vòòr 1996 voor IB wel, voor VB niet geaccepteerd als eigenwoningschuld
Iemand emigreerde per 1 januari 1998 naar Frankrijk. Zijn huis in Frankrijk had hij in 1995 gekocht en gefinancierd met een hypotheek op zijn eigen woning in Nederland. De schuld merkte hij aan als eigenwoningschuld. De voormalige eigen woning verhuurde hij vanaf het moment dat hij in Frankrijk was gaan wonen. Op hetzelfde perceel stonden enige bedrijfsloodsen die hij al langer verhuurde en verder een na zijn emigratie als tweede woning aangemerkt pand. Daarnaast was de man enig aandeelhouder van een in Nederland gevestigde BV. In 2001 stelde de belastingdienst een boekenonderzoek in bij de BV. Op grond van uit het boekenonderzoek verkregen informatie concludeerde de inspecteur dat de nieuwe hypotheek betrekking had op de aankoop van de woning in Frankrijk. Daarom verhoogde hij de per 1 januari 1999 en 2000 aangegeven binnenlandse vermogens met het bedrag van de hypotheekschuld ad ƒ 660.000. Ook weigerde de inspecteur over een aantal jaren de aftrek van hypotheekrente. In geschil was of de inspecteur navorderingsaanslagen mocht opleggen op basis van de bij het boekenonderzoek verkregen informatie. Naar de mening van de belanghebbende was die informatie onrechtmatig verkregen. Het Hof was het daarmee niet eens, omdat het ging om gegevens die de belanghebbende desgevraagd zelf aan de inspecteur had moeten verstrekken. In een later stadium had hij dat ook gedaan. De inspecteur verklaarde ter zitting dat hij de aanslag op die latere informatie had gebaseerd. Ook het beroep op opgewekt vertrouwen wees het Hof af. Er waren geen aanslagen vermogensbelasting opgelegd over voorgaande jaren vanwege negatieve resp. lage vermogens. Het Hof zag niet in hoe dan uit de aanslagregeling enig in rechte te honoreren vertrouwen kon worden geput dat betrekking had op de fiscale behandeling van de lening. De inspecteur had bij de aanslagregeling voor de inkomstenbelasting voor de jaren 1995, 1996 of 1997 geen duidelijk standpunt ingenomen of toezegging gedaan, waaraan een in rechte te honoreren vertrouwen kon worden ontleend met betrekking tot de rente over de hypotheekschuld.Tenslotte viel uit een besluit van het Ministerie van Financiën dat betrekking had op de inkomstenbelasting niets af te leiden over de kwalificatie van een schuld voor de vermogensbelasting. Het Hof wees het beroep daarom af. Ten aanzien van de inkomstenbelasting slaagde het beroep op dit besluit wel. De hypotheekschuld bestond al voor 1 januari 1996 en de inspecteur had de aftrek van de rente als betrekking hebbend op de eigen woning steeds geaccepteerd. Op grond van het besluit mocht er daarom van uit worden gegaan, dat dit zo zou blijven.
Iemand emigreerde per 1 januari 1998 naar Frankrijk. Zijn huis in Frankrijk had hij in 1995 gekocht en gefinancierd met een hypotheek op zijn eigen woning in Nederland. De schuld merkte hij aan als eigenwoningschuld. De voormalige eigen woning verhuurde hij vanaf het moment dat hij in Frankrijk was gaan wonen. Op hetzelfde perceel stonden enige bedrijfsloodsen die hij al langer verhuurde en verder een na zijn emigratie als tweede woning aangemerkt pand. Daarnaast was de man enig aandeelhouder van een in Nederland gevestigde BV. In 2001 stelde de belastingdienst een boekenonderzoek in bij de BV. Op grond van uit het boekenonderzoek verkregen informatie concludeerde de inspecteur dat de nieuwe hypotheek betrekking had op de aankoop van de woning in Frankrijk. Daarom verhoogde hij de per 1 januari 1999 en 2000 aangegeven binnenlandse vermogens met het bedrag van de hypotheekschuld ad ƒ 660.000. Ook weigerde de inspecteur over een aantal jaren de aftrek van hypotheekrente. In geschil was of de inspecteur navorderingsaanslagen mocht opleggen op basis van de bij het boekenonderzoek verkregen informatie. Naar de mening van de belanghebbende was die informatie onrechtmatig verkregen. Het Hof was het daarmee niet eens, omdat het ging om gegevens die de belanghebbende desgevraagd zelf aan de inspecteur had moeten verstrekken. In een later stadium had hij dat ook gedaan. De inspecteur verklaarde ter zitting dat hij de aanslag op die latere informatie had gebaseerd. Ook het beroep op opgewekt vertrouwen wees het Hof af. Er waren geen aanslagen vermogensbelasting opgelegd over voorgaande jaren vanwege negatieve resp. lage vermogens. Het Hof zag niet in hoe dan uit de aanslagregeling enig in rechte te honoreren vertrouwen kon worden geput dat betrekking had op de fiscale behandeling van de lening. De inspecteur had bij de aanslagregeling voor de inkomstenbelasting voor de jaren 1995, 1996 of 1997 geen duidelijk standpunt ingenomen of toezegging gedaan, waaraan een in rechte te honoreren vertrouwen kon worden ontleend met betrekking tot de rente over de hypotheekschuld.Tenslotte viel uit een besluit van het Ministerie van Financiën dat betrekking had op de inkomstenbelasting niets af te leiden over de kwalificatie van een schuld voor de vermogensbelasting. Het Hof wees het beroep daarom af. Ten aanzien van de inkomstenbelasting slaagde het beroep op dit besluit wel. De hypotheekschuld bestond al voor 1 januari 1996 en de inspecteur had de aftrek van de rente als betrekking hebbend op de eigen woning steeds geaccepteerd. Op grond van het besluit mocht er daarom van uit worden gegaan, dat dit zo zou blijven.