Hoge Raad vernietigt naheffing BPM
Het Hof van Justitie EG heeft in een arrest uit 2008 de heffing van Belasting van Personenauto’s en Motorrijwielen (BPM) in bepaalde gevallen in strijd geacht met het EG-recht. Het ging om een inwoner van Nederland die in het buitenland een auto voor langere tijd had gehuurd. Volgens het Hof van Justitie EG had bij de heffing van BPM rekening gehouden moeten worden met de duur van de huurovereenkomst of met de duur van het gebruik van een voertuig van het Nederlandse wegennet.
De staatssecretaris van Financiën heeft in zijn reactie op het arrest van het Hof van Justitie betoogd dat moet worden vastgesteld hoe hoog de heffing zou zijn indien deze evenredig zou zijn aan het gebruik van de auto op Nederlands grondgebied. In dit geval is sprake van een aan de wet klevend gebrek dat niet kan worden hersteld binnen het stelsel van de wet. Dat stelsel is immers gebaseerd op heffing van BPM naar rato van de waarde van de personenauto of het motorrijwiel. Uit de bepalingen van de Wet of uit de wetsgeschiedenis kan niet worden afgeleid wat het bedrag van de BPM zou zijn geweest als de wetgever de strijdigheid met het EG-verdrag zou hebben onderkend.
Anders dan de staatssecretaris betoogde restte de Hoge Raad niets anders dan het vernietigen van de opgelegde naheffingsaanslag wegens het ontbreken van een deugdelijke wettelijke grondslag voor de heffing van BPM.
Het Hof van Justitie EG heeft in een arrest uit 2008 de heffing van Belasting van Personenauto’s en Motorrijwielen (BPM) in bepaalde gevallen in strijd geacht met het EG-recht. Het ging om een inwoner van Nederland die in het buitenland een auto voor langere tijd had gehuurd. Volgens het Hof van Justitie EG had bij de heffing van BPM rekening gehouden moeten worden met de duur van de huurovereenkomst of met de duur van het gebruik van een voertuig van het Nederlandse wegennet. <BR>De staatssecretaris van Financiën heeft in zijn reactie op het arrest van het Hof van Justitie betoogd dat moet worden vastgesteld hoe hoog de heffing zou zijn indien deze evenredig zou zijn aan het gebruik van de auto op Nederlands grondgebied. In dit geval is sprake van een aan de wet klevend gebrek dat niet kan worden hersteld binnen het stelsel van de wet. Dat stelsel is immers gebaseerd op heffing van BPM naar rato van de waarde van de personenauto of het motorrijwiel. Uit de bepalingen van de Wet of uit de wetsgeschiedenis kan niet worden afgeleid wat het bedrag van de BPM zou zijn geweest als de wetgever de strijdigheid met het EG-verdrag zou hebben onderkend. <BR>Anders dan de staatssecretaris betoogde restte de Hoge Raad niets anders dan het vernietigen van de opgelegde naheffingsaanslag wegens het ontbreken van een deugdelijke wettelijke grondslag voor de heffing van BPM.