Hoge Raad stelt prejudiciële vragen over omvang vrijstelling omzetbelasting medische prestaties
De wet op de omzetbelasting kent een vrijstelling voor medische prestaties. Die vrijstelling wordt voorgeschreven door de zesde richtlijn van de EG. De omvang van vrijstelling in de Nederlandse wet wordt bepaald door de wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (wet BIG). In een tweetal procedures was de reikwijdte van de vrijstelling aan de orde. De Hoge Raad heeft in beide gevallen aan het Hof van Justitie EG de vraag voorgelegd of de vrijstelling beperkt mag worden. De eerste procedure heeft betrekking op een fysiotherapeut, die zich bezig hield met alternatieve geneeswijzen, die buiten de taakomschrijving van een fysiotherapeut vallen. De belastingdienst weigerde de vrijstelling van omzetbelasting voor medische prestaties toe te passen op de daarmee behaalde omzet. Hof Amsterdam was het met de inspecteur eens, omdat de vrijstelling volgens de tekst van de wet geldt voor die prestaties, die vallen binnen de taakomschrijving van het (para)medische beroep waarvoor iemand in de registers is ingeschreven. Volgens de Hoge Raad verrichtte de fysiotherapeut medische handelingen, ook al lagen die buiten zijn beroepsgebied. De vrijstelling in de zesde richtlijn heeft betrekking op medische prestaties. De andere procedure heeft betrekking op een psychotherapeute. Tot 1 december 1997 gold volgens de Nederlandse wettekst voor psychotherapeuten de vrijstelling voor medische prestaties niet, daarna wel. De voorwaarden, die de lidstaten in de nationale wetgeving mogen stellen aan toepassing van de vrijstelling mogen er niet toe leiden, dat daardoor bepaalde medische prestaties worden uitgezonderd. De Hoge Raad betwijfelt of de tot 1 december 1997 in de wet opgenomen limitatieve opsomming van vrijgestelde medische beroepen in overeenstemming is met de Zesde richtlijn. De procedure heeft betrekking op een naheffingsaanslag omzetbelasting over de jaren 1992 tot en met 1995.
De wet op de omzetbelasting kent een vrijstelling voor medische prestaties. Die vrijstelling wordt voorgeschreven door de zesde richtlijn van de EG. De omvang van vrijstelling in de Nederlandse wet wordt bepaald door de wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (wet BIG). In een tweetal procedures was de reikwijdte van de vrijstelling aan de orde. De Hoge Raad heeft in beide gevallen aan het Hof van Justitie EG de vraag voorgelegd of de vrijstelling beperkt mag worden. De eerste procedure heeft betrekking op een fysiotherapeut, die zich bezig hield met alternatieve geneeswijzen, die buiten de taakomschrijving van een fysiotherapeut vallen. De belastingdienst weigerde de vrijstelling van omzetbelasting voor medische prestaties toe te passen op de daarmee behaalde omzet. Hof Amsterdam was het met de inspecteur eens, omdat de vrijstelling volgens de tekst van de wet geldt voor die prestaties, die vallen binnen de taakomschrijving van het (para)medische beroep waarvoor iemand in de registers is ingeschreven. Volgens de Hoge Raad verrichtte de fysiotherapeut medische handelingen, ook al lagen die buiten zijn beroepsgebied. De vrijstelling in de zesde richtlijn heeft betrekking op medische prestaties. De andere procedure heeft betrekking op een psychotherapeute. Tot 1 december 1997 gold volgens de Nederlandse wettekst voor psychotherapeuten de vrijstelling voor medische prestaties niet, daarna wel. De voorwaarden, die de lidstaten in de nationale wetgeving mogen stellen aan toepassing van de vrijstelling mogen er niet toe leiden, dat daardoor bepaalde medische prestaties worden uitgezonderd. De Hoge Raad betwijfelt of de tot 1 december 1997 in de wet opgenomen limitatieve opsomming van vrijgestelde medische beroepen in overeenstemming is met de Zesde richtlijn. De procedure heeft betrekking op een naheffingsaanslag omzetbelasting over de jaren 1992 tot en met 1995.